Humanitaire hulp

Op deze pagina:

Inleiding

​​​​​​​Artikel 214, lid 1, EU-Werkingsverdrag bepaalt dat de acties van de EU op het gebied van humanitaire hulp tot doel hebben om specifieke hulp en bijstand te bieden aan inwoners van derde landen die slachtoffer zijn geworden van natuurrampen of door de mens veroorzaakte rampen. De acties van de EU en de lidstaten vullen elkaar aan en versterken elkaar. Artikel 4, lid 4, EU-Werkingsverdrag bepaalt in dit verband dat de uitoefening door de EU van bevoegdheden op het gebied van humanitaire hulp de lidstaten niet belet hun eigen bevoegdheden uit te oefenen.

Dit ECER-dossier ziet alleen op humanitaire hulp aan derde landen die buiten de EU liggen. Voor informatie over humanitaire noodhulp binnen​​​​​​​ de EU zie het ECER-dossier over Humanitaire noodhulp binnen de EU.

Naar boven

Beginselen

Humanitaire hulpacties worden uitgevoerd overeenkomstig de beginselen van het internationaal recht en de beginselen van onpartijdigheid, neutraliteit en non-discriminatie (artikel 214, lid 2, EU-Werkingsverdrag). De Raad heeft richtsnoeren vastgesteld om de naleving van het internationale humanitaire recht door de EU te verzekeren. In deze richtsnoeren worden lidstaten onder meer opgeroepen om erop toe te zien dat vermeende daders van oorlogsmisdaden voor de nationale rechter worden vervolgd of worden overgeleverd aan rechtbanken van andere lidstaten of het Internationaal Strafhof.

Naar boven

Kader voor uitvoering van humanitaire hulpacties

De EU is bevoegd om een kader vast te stellen voor de uitvoering van humanitaire hulpacties (artikel 214, lid 3, EU-Werkingsverdrag). Dit kader is door de EU vastgesteld in verordening 1257/96. Op grond van deze verordening kunnen humanitaire hulpacties worden opgezet in derde landen die getroffen zijn door natuurrampen, rampen die door menselijk toedoen zijn ontstaan (oorlogen en conflicten) of buitengewone omstandigheden die vergelijkbaar zijn met natuurrampen en door menselijk toedoen ontstane rampen.

De verordening geeft ook een opsomming van wat voor soort humanitaire acties mogelijk zijn. Het gaat onder meer om het redden en behouden van mensenlevens, het financieren van hulpgoederentransport en het op gang brengen van wederopbouw- en herstelwerkzaamheden (zie verder artikel 2, verordening 1257/96). Humanitaire hulpacties kunnen worden uitgevoerd op verzoek van een internationale organisatie, een lidstaat of een getroffen derde land. Daarnaast kan een hulpactie op initiatief van de Commissie worden uitgevoerd.

Naar boven

Coördinatie van de acties van lidstaten en de EU

De Europese Commissie kan ieder initiatief nemen om de coördinatie tussen de acties van de EU en die van de lidstaten te bevorderen. Het doel is om de doeltreffendheid van de humanitaire hulpmiddelen van de EU en de lidstaten te verbeteren (artkikel 214, lid 6, EU-Werkingsverdrag). De EU en de lidstaten hebben zich in een gezamenlijke verklaring ertoe verbonden om hun acties te coördineren. In deze verklaring zijn onder meer algemene beginselen en goede praktijken bij de uitvoering van humanitaire hulp opgenomen. Daarnaast is in de verklaring een kader opgenomen voor de wijze van verstrekking van humanitaire hulp.

Naar boven

Samenwerking met internationale organisaties

De EU moet ervoor zorgen dat haar humanitaire hulpacties gecoördineerd worden en coherent zijn met die van internationale organisaties en instanties. Daarbij kan met name worden gedacht aan de samenwerking met de instanties van de Verenigde Naties (artikel 214, lid 7, EU-Werkingsverdrag). In een mededeling van de Commissie worden aandachtspunten gegeven voor een verbetering van de samenwerking tussen de EU en de VN. Het streven is om tot een daadwerkelijk partnerschap tussen de VN en de EU te komen.

Naar boven

Europees vrijwilligerskorps

Artikel 214, lid 5, EU-Werkingsverdrag verplicht de EU om een Europees vrijwilligerskorps voor humanitaire hulpverlening op te richten. Het korps moet de bijdrage van Europese jongeren aan de humanitaire hulpacties van de EU verzekeren. Het statuut en de regels voor de activiteiten van het korps zijn in verordening 375/2014 neergelegd. Deze verordening bepaalt onder meer wat voor activiteiten door jongeren kunnen worden verricht (artikel 8) en onder welke voorwaarden jongeren kunnen deelnemen aan het korps (artikel 9). Activiteiten die onder de verordening vallen kunnen in aanmerking komen voor een financiering door de EU (artikel 18).

Naar boven