Het EU-recht zoals dat tussen de lidstaten geldt, is slechts in beperkte mate van toepassing op LGO. Het derde deel van het VWEU, waarin de beleidsgebieden van de Unie staan beschreven, is bijvoorbeeld niet van toepassing op LGO. Volgens de preambule van het LGO-besluit zijn de LGO geen derde landen, maar maken zij ook geen deel uit van de interne markt. Op grond van het vierde deel van het VWEU, waarin de specifieke LGO-bepalingen staan, en het LGO-besluit is een beperkt aantal EU-regelingen ook van toepassing van de LGO. De LGO hebben daarom slechts in beperkte mate met het acquis van de EU te maken. Hieronder wordt een kort overzicht gegeven van verschillende aspecten van het EU-acquis. Klik op "lees meer" voor meer informatie.
In artikel 200, EU-Werkingsverdrag staat dat goederen van oorsprong uit de LGO bij hun invoer in de lidstaten niet belast mogen worden met invoerrechten, overeenkomstig het verbod op douanerechten dat tussen de lidstaten geldt. Ook mogen er geen kwantitatieve invoerbeperkingen door de lidstaten worden opgelegd op producten van oorsprong uit de LGO.
Deze regeling is niet wederkerig. Zo mogen LGO, indien zij dit in verband met hun ontwikkelingsbehoeften noodzakelijk achten, onder bepaalde voorwaarden wel douanerechten of kwantitatieve beperkingen handhaven of instellen ten aanzien van producten afkomstig uit de lidstaten. Geheel vrij zijn de LGO hier niet in. Zo mogen de LGO niet direct of indirect onderscheid maken tussen goederen uit de verschillende lidstaten. Ook moeten de LGO aan de lidstaten een behandeling toekennen die niet minder gunstig is dan de meestbegunstigingsbehandeling die zij toepassen op derde landen. Ontwikkelingslanden mogen wel gunstiger worden behandeld dan de lidstaten.
In de loop der jaren zijn er vele procedures bij het EU-Hof geweest over de vraag wanneer iets precies een goed van oorsprong uit een LGO is. Zo heeft het Hof van Justitie bijvoorbeeld in de Antillean Rice Mills-zaken besloten dat het in Curaçao slijpen van rijst uit Suriname (een bewerking van 5%), niet voldoende was om de geslepen rijst als goed van oorsprong uit Curaçao te kwalificeren. Het huidige LGO-besluit had daarom onder meer als doel de onduidelijkheden hieromtrent weg te nemen. Sinds de inwerkingtreding van het nieuwe besluit op 1 januari 2014 worden onder goederen van oorsprong goederen verstaan die ofwel geheel in een LGO zijn geproduceerd, ofwel er een toereikende bewerking of verwerking hebben ondergaan. Bijlage VI van het LGO-besluit geeft hier meer duidelijkheid over. Het is op twee manieren mogelijk om een product te laten kwalificeren als goed van oorsprong: dit is mogelijk indien de producten "geheel en al" in de LGO zijn verkregen en indien de producten zijn bewerkt of verwerkt in LGO.
In het eerste geval moeten de grondstoffen die gebruikt worden voor het product ook afkomstig zijn uit LGO. De producten die geproduceerd zijn in een LGO en vervaardigd zijn uit grondstoffen afkomstig uit LGO kwalificeren als 'product van oorsprong'. Voor de vraag of iets een goed van oorsprong is, worden alle LGO gezien als één gebied. Het maakt dus niet uit of de grondstoffen van een product uit twee verschillende LGO komen.
Indien de grondstoffen niet afkomstig zijn uit een LGO, kan het product als goed van oorsprong kwalificeren als het product bewerkt of verwerkt is in een LGO. In dat geval dient die handeling wel toereikend te zijn om het product te kunnen kwalificeren als product van oorsprong. In aanhangsel II bij bijlage VI staan zeer gedetailleerde voorwaarden waaraan producten moeten voldoen, willen zij toereikend bewerkt of verwerkt zijn in een LGO. Voor meer informatie over de vraag of een product een goed van oorsprong is, zie de informatiepagina van de belastingdienst over dit onderwerp.
Via de persoonlijke werkingssfeer van het tweede deel van het EU-Werkingsverdrag, zijn alle bepalingen omtrent het EU-burgerschap van toepassing op een ieder die de nationaliteit van een lidstaat bezit. Voor de werkingssfeer van deze bepalingen maakt het niet uit waar iemand woont. Iedere Nederlander, dus ook indien men in Caribisch Nederland woont, is daarom een EU burger en kan een beroep doen op de rechten die hiermee gepaard gaan.
Iedereen die de nationaliteit van een EU-lidstaat heeft, is daarmee dus ook EU-burger. Het recht om te bepalen wie de nationaliteit van een lidstaat bezit, en daarmee ook het EU burgerschap, ligt bij de lidstaten zelf, al moeten de lidstaten bij de uitoefening van deze bevoegdheid wel het EU-recht eerbiedigen. Dit volgt uit de zaak Rottmann. De juridische inhoud van het EU burgerschap wordt bepaald door de Unie en staat daarmee los van de rechten die horen bij nationale burgerschap. Het EU burgerschap is een aanvulling op het nationale burgerschap. Naast het recht om vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven (art. 21 VWEU) zijn er vele andere Europese economische, sociale en politieke rechten.
Hoewel sommige burgerschapsrechten, zoals het petitierecht bij de Europese Ombudsman, volledig los staan van de vraag waar een burger zich bevindt, zijn er ook enkele burgerschapsrechten die wel degelijk verband houden met en beperkt worden door de territoriale werkingssfeer van het EU-recht. Zo hoeven lidstaten geen verkiezingen voor het Europees Parlement te organiseren in LGO. Hoewel Caribische Nederlanders gelet op hun Nederlandse nationaliteit wel stemrecht hebben bij verkiezingen voor het Europees parlement, is de Nederlandse staat in principe dus niet verplicht verkiezingen te organiseren op de eilanden. Als gevolg van het arrest Eman en Sevinger heeft de Nederlandse wetgever evenwel besloten dit toch te doen.
Voor meer informatie over het EU burgerschap, zie de ECER-pagina daarover. Op deze pagina wordt enkel ingegaan op de aspecten die van belang zijn voor het LGO-recht.
Artikel 202, EU-Werkingsverdrag geeft een rechtsbasis om de toepassing van het vrij verkeer van werknemers tussen de LGO en de Unie uit te werken in het LGO-besluit. Dit is echter niet gedaan. Gevolg hiervan is dat er in principe geen vrij verkeer van werknemers is tussen de LGO en de Unie. Elke inwoner van een LGO die de nationaliteit van een van de lidstaten heeft, beschikt echter ook over het EU-burgerschap. De rechten die verbonden zijn aan het EU-burgerschap zijn aan de persoon gekoppeld, terwijl de regels die voortvloeien uit het LGO-besluit zijn gekoppeld aan het grondgebied van de LGO. EU-burgers woonachtig in LGO hebben dezelfde rechten als EU-burgers woonachtig in bijvoorbeeld Nederland of Duitsland. Gevolg hiervan is dat zij zich op basis van het Europese recht, onder dezelfde voorwaarden als iedere andere EU-burger, mogen vestigen in de EU.
Hieruit volgt dat lidstaat A geen beperkingen mag opleggen aan burgers van lidstaat B die vanuit een LGO willen verhuizen naar lidstaat A. Een lidstaat mag in principe wel beperkingen stellen ten aanzien van haar eigen burgers die vanuit een LGO naar het Europese land willen verhuizen, aangezien dat zuiver interne situaties zijn en de EU-Verdragen dan niet gelden. Er mag dan echter geen onderscheid gemaakt worden tussen bijvoorbeeld Nederlanders die vanuit de VS naar Nederland verhuizen en Nederlanders die vanuit Curaçao naar Nederland verhuizen, aangezien dan het beginsel van gelijke behandeling in het geding zou zijn. Dat het Europese recht niet in de weg staat aan dergelijke beperkingen, wil overigens niet betekenen het niet strijdig kan zijn met ander recht. Zie voor meer informatie hierover het advies van de Raad van State naar aanleiding van het voorstel van wet van Kamerlid Bosman met betrekking tot de regulering van de vestiging van Nederlanders van Aruba, Curaçao en Sint Maarten in Nederland.
Aangezien het LGO-besluit niets over het vrij verkeer van werknemers regelt, betekent dit dat EU-burgers zich niet op het vrij verkeer van werknemers kunnen beroepen als zij in een LGO willen werken. De vrijheid om je als EU-burger vanuit een LGO te vestigen in Europa, geldt dus niet andersom. Wel geldt de basisregel dat LGO geen onderscheid mogen maken tussen onderdanen van de lidstaten. Het feit dat EU-burgers geen gebruik kunnen maken van het vrij verkeer van werknemers in de LGO betekent ook dat wanneer Nederlanders vanuit bijvoorbeeld Aruba verhuizen naar Nederland, zij zich tegenover Aruba niet op het Europese recht kunnen beroepen als zij weer terug willen verhuizen. Alleen de nationale regelgeving is dan van toepassing.
Artikel 199, lid 5, EU-Werkingsverdragbepaalt dat de Verdragsbepalingen omtrent de vrijheid van vestiging "op voet van non-discriminatie" ook van toepassing zijn op LGO, behoudens de in het LGO-besluit vastgestelde bijzondere bepalingen hieromtrent. Het EU-Hof heeft zich nog niet uitgesproken over de betekenis van deze verdragsbepaling. In de zaak Kaefer & Procacci heeft het EU-Hof een geschil omtrent vestiging in Frans Polynesië opgelost zonder in te gaan op de doorwerking van deze verdragsbepalingen in de LGO. Het Hof beperkte zich in de beantwoording van de prejudiciële vragen van de rechtbank in Papeete tot een uitleg van de bepalingen in het LGO-besluit. In tegenstelling tot het vrije verkeer van werknemers, zijn met betrekking tot de andere vrijheden namelijk wel bepalingen opgenomen in het LGO-besluit. In artikel 52 van het LGO-besluit is geregeld dat de Unie, met betrekking tot de vrijheid van vestiging en het vrije verkeer van diensten, aan natuurlijke personen en rechtspersonen van de LGO een behandeling toe moet kennen die niet minder gunstig is dan de meest gunstige behandeling die van toepassing is op soortgelijke natuurlijke personen en rechtspersonen van derde landen waarmee de Unie een overeenkomst inzake economische integratie sluit of gesloten heeft. Andersom moeten de LGO aan natuurlijke personen en rechtspersonen van de Unie een behandeling toekennen die niet minder gunstig is dan de meest gunstige behandeling die van toepassing is op soortgelijke natuurlijke personen en rechtspersonen van belangrijke handelsmachten waarmee het na inwerkingtreding van het LGO-besluit een overeenkomst inzake economische integratie heeft gesloten. Het Amerikaans-Nederlands Vriendschapsverdrag uit 1956, waarin toegang van Amerikaanse burgers en bedrijven tot de voormalige Antillen werd geregeld, kent daarom bijvoorbeeld geen effect voor EU-burgers. Als eenzelfde verdrag ná inwerkingtreding van het huidige LGO-besluit zou zijn gesloten, zou het wel effect kunnen hebben voor EU-burgers. Bij elke nieuwe internationale overeenkomst dienen de onderhandelende partijen dus rekening te houden met het feit dat het resultaat ook zou kunnen gaan gelden voor alle burgers en bedrijven uit de EU.
Ten aanzien van de vrijheid van vestiging en het vrije verkeer van diensten zijn dus wel bepalingen opgenomen in het LGO-besluit. Er is echter geen volledige werking zoals binnen de grenzen van de interne markt. In principe gelden alleen de regels van non-discriminatie naar nationaliteit op basis van artikel 52 van het LGO-besluit. Voor sommige sectoren zijn speciale regels gemaakt die afwijken van hetgeen hierboven beschreven. Zo geldt voor toerisme op grond van artikel 41 van het LGO-besluit dat ten behoeve van de samenwerking tussen LGO en de EU ter ontwikkeling van duurzaam toerisme extra maatregelen genomen kunnen worden. Een andere belangrijke sector voor sommige LGO is de financiële sector. In de artikelen 71 t/m 73 van het LGO-besluit is voor deze sector geregeld dat ter stimulering van de stabiliteit, integriteit en transparantie van het mondiale financiële systeem kan worden samengewerkt op het gebied van internationale financiële diensten. Ook wordt nadrukkelijk convergentie van regelgeving nagestreefd met erkende internationale normen inzake reglementering en toezicht op het gebied van financiële diensten.
Aangezien het derde deel van het EU-Werkingsverdrag niet van toepassing is op LGO, is het vrij verkeer van kapitaal, zoals dat vanaf artikel 63 EU-Werkingsverdrag is geregeld, ook niet van toepassing. In artikel 59 LGO-besluit is echter geregeld dat er geen beperkingen worden opgelegd aan betalingen in vrij converteerbare munt op de lopende rekening van de betalingsbalans tussen onderdanen van de Unie en van de LGO. Daarnaast mogen de lidstaten en de LGO, wat transacties op de kapitaalrekening van de betalingsbalans betreft, geen beperkingen opleggen aan het vrije verkeer van kapitaal voor directe investeringen in vennootschappen die in overeenstemming met de wetten van de gastlidstaat, het gastland of het gastgebied zijn opgericht. Ook verbinden de lidstaten en de LGO zich ertoe geen beperkingen op te leggen aan de liquidatie of repatriëring van deze investeringen en alle daaruit voortvloeiende opbrengsten. Door te verwijzen naar de betalingsbalans en door beperkingen aan betalingen in vrij convertibele munt op de lopende rekening van de betalingsbalans en tevens beperkingen aan het verkeer van kapitaal voor investeringen in vennootschappen en betreffende transacties op de kapitaalrekening van de betalingsbalans te verbieden, heeft artikel 59 van het LGO-besluit een erg ruime draagwijdte, die nauw aansluit bij de draagwijdte van artikel 63 EU-Werkingsverdrag in de verhoudingen tussen de lidstaten en derde landen. Dat LGO, met betrekking tot het vrij kapitaalverkeer, in dezelfde situatie verkeren als derde landen volgt echter ook uit de zaak C-384/09, Prunus. Maar een lidstaat mag ter voorkoming van belastingontduiking wel maatregelen vaststellen die het kapitaalverkeer met Caribische belastingparadijzen beperken, zie de zaak C-24/12, X BV.
Artikel 59 van het LGO-besluit komt zoals gezegd in bepaalde mate overeen met artikel 63 EU-Werkingsverdrag. Artikel 63 EU-Werkingsverdrag is echter breder en voorziet in een verbod op alle beperkingen van het kapitaalverkeer en het betalingsverkeer. Het vrij kapitaalverkeer uit het Verdrag ziet dus op al het kapitaalverkeer, terwijl artikel 59 van het LGO-besluit enkel ziet op directe investeringen in vennootschappen. Daarnaast ziet het LGO-besluit enkel op kapitaalverkeer tussen LGO en lidstaten, terwijl artikel 63 EU-Werkingsverdrag geldt tussen lidstaten onderling en ook tussen lidstaten en derde landen. Het LGO-besluit kent die werking voor kapitaalverkeer tussen LGO en derde landen niet.
In lid 3 van artikel 59 van het LGO-besluit is ten aanzien van mogelijke rechtvaardigingen voor beperkingen van het kapitaalverkeer aansluiting gezocht bij hetgeen is geregeld in de EU-Verdragen. In dit lid is namelijk geregeld dat de Unie en de LGO de in de artikelen 64, 65, 66, 75 en 215 van het EU-Werkingsverdrag bedoelde maatregelen kunnen treffen, overeenkomstig de daarin bepaalde voorwaarden. De verwijzing naar de artikelen 64, 65, 66 en 215 lijkt echter overbodig, aangezien deze rechtvaardigingen alleen gelden voor beperkingen tussen lidstaten en derde landen. Het lijkt er derhalve op dat de enige gerechtvaardigde beperkingen die van belang zijn voor de LGO de beperkingen uit artikel 65, lid 1, onder a en b, EU-Werkingsverdrag en artikel 75 EU-Werkingsverdrag zijn.