Rechten van verdachten in het strafproces

Banner - Rechten van verdachte in het strafproces

© Evert-Jan Daniels

Navigatiemenu

Rechten van verdachten in het strafproces

Op deze pagina:

Inleiding

Het verdwijnen van de binnengrenzen tussen EU-lidstaten en het feit dat EU-burgers steeds meer gebruik maken van het vrij verkeer heeft er toe geleid dat EU-burgers steeds vaker verwikkeld zijn geraakt in strafprocedures in een andere EU-lidstaat. In 2009 heeft de Raad in een resolutie verklaard dat de procedurele rechten van verdachten en beklaagden in zulke omstandigheden moeten worden versterkt. Deze versterking van de procedurele rechten moet het recht op een eerlijk proces garanderen. In reactie op de resolutie zijn diverse richtlijnen aangenomen om de procedurele rechten te versterken. De EU-wetgever heeft deze richtlijnen aangenomen op grond van artikel 82, lid 2, sub b, EU-Werkingsverdrag.

Naar boven

Recht op vertolking en vertaling

Richtlijn 2010/64/EU legt voorschriften vast met betrekking tot het recht op vertolking en vertaling in strafprocedures en procedures voor de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel. Dit recht moet aan een persoon worden toegekend vanaf het moment dat de bevoegde autoriteiten deze persoon ervan op de hoogte brengen dat hij ervan wordt verdacht of beschuldigd een strafbaar feit te hebben begaan. Het recht eindigt op het moment van de definitieve vaststelling dat de persoon het strafbare feit al dan niet heeft begaan.

Het recht op vertolking omvat het recht van de verdachte of beklaagde om gratis door een tolk te worden bijgestaan bij politieverhoren, alle (tussentijdse) zittingen van de gerechtelijke autoriteiten en bij politieverhoren. Naast het recht op vertolking, verplicht het recht op vertaling de lidstaten ertoe om in ieder geval beslissingen tot vrijheidsbeneming, de tenlastelegging, de dagvaarding en de vonnissen te verlaten in de taal van de verdachte of de beklaagde.

Naar boven  

Recht op informatie

Richtlijn 2012/13/EU ziet op het recht op informatie van verdachten over hun rechten gedurende de strafprocedure en over de tegen hen ingebrachte beschuldiging. Deze richtlijn is eveneens van toepassing op de rechten van personen tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd. De bevoegde autoriteiten van een lidstaat moeten de verdachte of beklaagde in ieder geval informatie geven over de volgende procedurele rechten (artikel 3):

  • het recht op toegang tot een advocaat;
  • het recht op kosteloze bijstand en de voorwaarden waaronder deze bijstand kan worden verleend;
  • het recht op informatie over de beschuldiging
  • het recht op vertolking en vertaling
  • het zwijgrecht

Tevens bepaalt de richtlijn dat aan aangehouden personen een verklaring van rechten moet worden gegeven (artikel 4). Deze verklaring van rechten omvat onder meer:

  • het recht op toegang tot de stukken van het dossier
  • het recht om consulaire autoriteiten en één persoon op de hoogte te stellen van de vrijheidsbeneming
  • het recht op toegang tot dringende medische bijstand
  • het recht op informatie over het maximumaantal uren of dagen dat verdachten of beklaagden van hun vrijheid mogen worden beroofd alvorens zij voor een gerechtelijke autoriteit worden voorgeleid.

Meer informatie:

  • ECER-bericht: EU-Hof: Bepaalde informatierechten in strafprocedures gelden niet voor personen die worden aangehouden ter uitvoering van een EAB (3 februari 2021)

Naar boven

Recht op toegang tot een advocaat en contact met derden en consulaire autoriteiten

Richtlijn 2013/48/EU garandeert het recht van verdachten of beklaagden om zonder onnodig uitstel toegang te hebben tot een advocaat. De lidstaten moeten zich inspannen om die informatie ter beschikking stellen die verdachten helpen om een geschikte advocaat te vinden. Het vertrouwelijke karakter van de communicatie tussen verdachten of beklaagden en hun advocaat moet worden geëerbiedigd. 

Naast het recht op toegang tot een advocaat geeft de richtlijn voorschriften die de verdachte of beklaagde in staat moeten stellen om met derden en consulaire autoriteiten te kunnen communiceren. De richtlijn schrijft voor dat verdachten of beklaagden tenminste één persoon op de hoogte moeten kunnen brengen van de vrijheidsbeneming. De verdachte of beklaagde moet met deze persoon of personen zonder onnodig uitstel kunnen communiceren. Daarbij kan gedacht worden aan een familielid of een vriend.

Naar boven

Recht om op de terechtzitting aanwezig te zijn en het onschuldvermoeden

Richtlijn 2016/343/EU schrijft voor dat lidstaten er voor moeten zorgen dat verdachten of beklaagden aanwezig kunnen zijn bij de terechtzitting. Onder omstandigheden kunnen lidstaten beslissingen nemen in afwezigheid van de verdachte of beklaagde. Voorwaarde hiervoor is dat de verdachte of beklaagde tijdig in kennis is gesteld van de terechtztting en van de gevolgen van zijn afwezigheid of dat de verdachte of beklaagde wordt vertegenwoordigd door een gemachtigde advocaat.

Indien de verdachte of beklaagde niet bij de terechtzitting aanwezig heeft kunnen zijn en er niet is voldaan aan de voorwaarden om de zaak in afwezigheid van verdachte of beklaagde te behandelen, heeft de verdachte of beklaagde recht op een nieuw proces of een andere voorziening in rechte.

  • ECER-bericht: EU-Hof: Tenuitvoerlegging EAB kan niet worden geweigerd vanwege mogelijke schending van het recht op een nieuw proces in de zin van richtlijn 2016/343 (22 januari 2021)
  • ECER-bericht: EU-Hof verduidelijkt geldigheid strafzitting bij afwezigheid verdachte (19 februari 2020)

De richtlijn voorziet eveneens in de versterking van het onschuldvermoeden. Dit houdt in dat verdachten en beklaagden voor onschuldig worden gehouden totdat hun schuld in rechte is komen vast te staan. Zo moeten overheidsinstanties zich in openbare verklaringen onthouden van verwijzingen naar de schuld van verdachte of beklaagde.

  • Verslag van de Commissie over de uitvoering van richtlijn 2016/343 (2021)

Naar boven

Rechten van minderjarige verdachten of beklaagden

Richtlijn 2016/800/EU geeft een aantal minimumvoorschrifen met betrekking tot bepaalde rechten van kinderen die verdachte of beklaagde in een strafprocedure zijn of tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd. De richtlijn kent een aantal rechten toe aan kinderen:

  • het recht om de persoon die het ouderlijk gezag heeft te informeren
  • het recht op bijstand door een advocaat
  • het recht op een individuele beoordeling van zijn zaak
  • het recht op medisch onderzoek
  • het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van het kind
  • het recht van een kind om tijdens de terechtzitting te worden vergezeld door een persoon die het ouderlijk gezag heeft
  • het recht van een kind om aanwezig te zijn en deel te nemen aan een terechtzitting

Tevens legt de richtlijn een aantal verplichtingen op aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat:

  • de verplichting voor lidstaten om waar nodig audiovisuele opnames te maken van de verhoren van kinderen
  • de verplichting voor lidstaten om de vrijheidsbeneming zo kort als mogelijk te laten duren
  • de verplichting voor lidstaten om waar nodig alternatieve maatregelen te treffen dan de vrijheidsbeneming
  • de verplichting voor lidstaten om kinderen te scheiden van volwassenen
  • de verplichting voor lidstaten om strafprocedures tegen kinderen met spoed en de nodige zorgvuldigheid te behandelen

Naar boven

Het recht op rechtsbijstand

Richtlijn 2016/919/EU heeft tot doel om burgers, die niet beschikken over voldoende financiële middelen, toegang te geven tot een advocaat. Burgers die in aanmerking komen voor rechtsbijstand hebben onvoldoende draagkracht om de kosten van de verdediging en de procedure zelf te dragen. Bij de beoordeling of iemand in aanmerking komt voor rechtsbijstand moet wel worden gekeken naar de concrete omstandigheden van de zaak. Er moet rekening worden gehouden met de complexiteit van de zaak, de ernst van het misdrijf, de persoonlijke en sociale situatie van verdachte of beklaagde en de zwaarte van de eventuele straf. Wanneer rechtsbijstand verplicht is gesteld, is in ieder geval aan de voorwaarden voor het verkrijgen van rechtsbijstand voldaan.  

De Europese Commissie had de lidstaten in 2013 in aanbeveling al opgeroepen om het recht op rechtsbijstand mogelijk te maken. Deze aanbeveling was niet bindend, maar de richtlijn legt wel bindende verplichtingen op (dit volgt uit artikel 288 EU-Werkingsverdrag).

Naar boven

Rechten van kwetsbare personen

De Europese Commissie heeft de lidstaten in een aanbeveling opgeroepen om een aantal procedurele rechten van kwetsbare verdachten en beklaagden te versterken. De aanbeveling schrijft voor dat de kwetsbaarheid van personen onverwijld moet worden vastgesteld en erkend. Indien de omstandigheden van het geval dit noodzakelijk maken, moeten de bevoegde autoriteiten een beroep kunnen doen op een onafhankelijke expert om een medisch  onderzoek uit te voeren. Deze expert kan een advies geven over de geschiktheid van de maatregelen die met betrekking tot de kwetsbare persoon zijn genomen of worden overwogen.

Naar boven