Contentverzamelaar

2003 - Advies comitologie

Aan de ICER is het verzoek voorgelegd te adviseren over het voorstel van de Europese Commissie tot wijziging van het comitologiebesluit (Voorstel van de Europese Commissie tot wijziging van het besluit van de Raad 1999/468/EG, COM (2002) 719 def).

De ICER heeft een werkgroep ingesteld en deze verzocht na te gaan in hoeverre het Commissievoorstel past binnen het geldende gemeenschapsrecht. In de tweede plaats zou de werkgroep moeten onderzoeken welke invloed de verschillende instellingen op het regelgevingproces uitoefenen, dat wil zeggen hoe het institutionele evenwicht tussen de Commissie aan de ene kant en de Raad en het Europees Parlement (EP) aan de andere kant en tussen de Raad en het Europees Parlement (EP) onderling in het wetgevingsproces is. Ten derde heeft de werkgroep op eigen initiatief onderzocht hoe het voorstel van de Commissie zich verhoudt tot de Europese Grondwet en dan meer in het bijzonder de teksten met betrekking tot wetgeving. Hierbij was het uitdrukkelijk niet de bedoeling de politieke wenselijkheid van deze voorstellen te beoordelen. Omdat de voorstellen van de Commissie echter zeer nauw verband houden met de voorstellen die in het kader van de Europese Grondwet zijn gedaan, wint het rapport aan gebruikswaarde door op deze vragen in te gaan. In de vierde plaats heeft de werkgroep zich gebogen over de vraag naar wenselijkheid van overgangsrecht.

Het rapport begint met een beschrijvend gedeelte. Allereerst worden in hoofdstuk 2 de huidige regels uit het Verdrag en de secundaire regelgeving met betrekking tot comitologie besproken. In dit kader komt ook het zogeheten Lamfalussy-model aan de orde, een comitologievariant die is doorgevoerd in de Europese financiƫle sector. Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 het voorstel van de Commissie uiteengezet en wordt aandacht besteed aan de bepalingen uit de Europese Grondwet met betrekking tot wetgeving. Hierna gaat het rapport in hoofdstuk 4 dieper in op de gevolgen van de verschillende voorstellen. Hierbij wordt in de eerste plaats onderzocht, welke situatie voor het institutionele evenwicht zou ontstaan indien het Commissievoorstel in zijn huidige vorm zou worden aangenomen. Vervolgens wordt ingegaan op de vraag welke situatie er zou ontstaan indien tevens de bepalingen van de Europese Grondwet inzake wetgeving ongewijzigd zouden worden vastgesteld.