Contentverzamelaar

2008- Rapport 'Common Frame of Reference'

In november 2008 heeft de ICER het rapport met de titel “Common Frame of Reference: rechtsgrondslagen voor en eventuele consequenties van communautair optreden” vastgesteld. Aanleiding voor het rapport was de door rechtswetenschappers uit verschillende landen opgestelde Draft Common Frame of Reference: Principles, Definitions and Model Rules of European Private Rules.

In het rapport zijn de volgende vragen beantwoord:

  •  op basis van welke rechtsgrondslag(en) zou de EU ertoe kunnen overgaan het gemeenschappelijk referentiekader (of delen daarvan) de vorm van een richtlijn of verordening te geven;
  • wat zijn de consequenties als het gemeenschappelijk referentiekader (ten dele) wordt geïncorporeerd in een soft-law-instrument (resolutie, aanbeveling o.i.d.)?

Het rapport bevat samengevat de volgende bevindingen:

  • bij de huidige stand van zaken, is het hoogst onwaarschijnlijk dat artikel 65 EG-Verdrag een correcte rechtsgrondslag zou kunnen vormen voor communautair wetgevend optreden met betrekking tot (delen) van het materiële privaatrecht; de huidige wetgevingspraktijk op basis van artikel 65 EG-Verdrag ziet vooral op het internationaal privaatrecht, maar niet of nauwelijks op het materiële privaatrecht;
  • het is denkbaar dat artikel 94 EG-Verdrag kan worden gebruikt om specifieke onderdelen van het CFR te harmoniseren; artikel 94 EG-Verdrag kan echter moeilijk worden beschouwd als een valide grondslag voor harmonisatie van alle door het CFR bestreken terreinen van het privaatrecht, terwijl het evenmin een basis kan bieden voor optreden via uitvaardiging van verordeningen of soft-law-instrumenten;
  • artikel 95 EG-Verdrag biedt geen grondslag voor een optioneel instrument omdat dit moeilijk kan worden beschouwd als een maatregel “inzake de onderlinge aanpassing” van de wetgeving van de lidstaten; daarentegen biedt artikel 95 EG-Verdrag wel een grondslag voor de uitvaardiging van andere communautaire instrumenten, zoals richtlijnen, verordeningen of soft-law-instrumenten, mits aan de overige materiële verdragsvoorwaarden is voldaan; in het bijzonder moet het er om gaan ”de belemmeringen voor de werking van de interne markt die het gevolg zijn van uiteenlopende situaties in de lidstaten, waaraan deze ook zijn toe te schrijven, te verminderen”;
  • gelet op de nadruk die in artikel 95 EG-Verdrag wordt gelegd op het belang van een hoog niveau van consumentenbescherming, komt artikel 95 EG-Verdrag primair als rechtsgrondslag in beeld als het gaat in de incorporatie van die delen van het CFR in een EG-besluit die consumentenbelangen regarderen; artikel 95 EG-Verdrag kan echter niet als rechtsgrondslag dienen voor communautair optreden ten aanzien van die onderdelen van het CFR die geen of nauwelijks enige impact op de goede werking van de interne markt hebben;
  • artikel 308 EG-Verdrag komt pas als mogelijke rechtsgrondslag in beeld indien en voorzover de artikelen 65 en 94/95 EG-Verdrag onvoldoende rechtsgrondslag blijken te bieden voor communautair optreden met betrekking tot het CFR; artikel 308 EG-verdrag biedt alleen een grondslag voor EG-optreden als dit noodzakelijk is om een van de in de artikelen 2 en 3 EG-Verdrag genoemde communautaire doelstellingen te verwezenlijken; dat optreden kan alle “passende maatregelen” omvatten, inclusief het gebruik van soft-law-instrumenten zoals een resolutie of aanbeveling, mits dit optreden geschiedt “in het kader van de gemeenschappelijke markt”;
  • de procedure voor inroeping van artikel 308 EG-verdrag (art. 352 nieuw) wordt met het Verdrag van Lissabon verzwaard, terwijl tevens de doelstellingen van de EU worden verruimd (ruimte van veiligheid & rechtvaardigheid);

 wetgevend optreden van de EG ten aanzien van (onderdelen van) het CFR zal, ingevolge de AETR-doctrine, gepaard gaan met een verlies van externe bevoegdheden van Nederland in internationale fora ten gunste van het ontstaan van exclusieve externe bevoegdheden van de Gemeenschap.