C-341/25 Sintexcal e.a.
Dit fiche is slechts een samenvatting. De verwijzingsbeschikking is bepalend
Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).
Termijnen: Motivering departement: 10 maart 2026 Schriftelijke opmerkingen: 24 april 2026
Trefwoorden: mededinging, vervaltermijn, rechtszekerheid
Onderwerp: Handvest: artikelen 41, 47 en 52, lid 3; VWEU: artikel 101; Richtlijn 2019/01 tot toekenning van bevoegdheden aan de mededingingsautoriteiten [..]: overwegingen 14 en 70, artikelen 3, 4 en 29.
Deze zaak draait om een geschil tussen de nationale mededingingsautoriteit (AGCM) en verzoekende partijen, die inbreuken op de mededinging hebben verricht. In hoger beroep voeren de bedrijven aan dat de AGCM in strijd met de nationale voorschriften heeft gehandeld, door hen niet binnen 90 dagen op de hoogte te stellen van de inleiding van de onderzoeksfase (onder vermelding van de wezenlijke elementen van de vermeende inbreuken). De overschrijding van deze termijn leidt automatisch tot nietigverklaring van het sanctiebesluit. De Italiaanse rechter vraagt het Hof naar de overeenstemming van deze regelgeving met artikel 101 VWEU en richtlijn 2019/1.
Prejudiciële vragen: 1) Staat artikel 101 VWEU in de weg aan een nationale regeling als artikel 14 van wet nr. 689 van 24 november 1981 die de Autorità garante della concorrenza e del mercato [AGCM] met het oog op de uitoefening van de sanctiebevoegdheden verplicht om de betrokken ondernemingen in kennis te stellen van het besluit tot inleiding van het onderzoek, dat onder meer de wezenlijke elementen van de vermeende inbreuken vermeldt, binnen een vervaltermijn van 90 dagen, of 360 dagen voor ondernemingen die in het buitenland zijn gevestigd, te rekenen vanaf het tijdstip waarop deze autoriteit kennis krijgt van de inbreuk?
2) Moeten artikel 101 VWEU en richtlijn (EU) 2019/1 aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling waarin nietigverklaring is neergelegd als automatisch gevolg van de overschrijding van de redelijke termijn voor de inleiding van de onderzoeksprocedure, zonder dat hoeft te worden vastgesteld dat het recht van verweer daadwerkelijk is geschonden; of staan deze, subsidiair, in de weg aan een nationale regeling die, in geval van overschrijding van de redelijke termijn voor de inleiding van de onderzoeksprocedure, bepaalt dat de aanvullende bewijslast dat de overschrijding van die termijn concreet afbreuk heeft gedaan aan het recht van verweer rust op de AGCM (en niet op de ondernemingen)?
Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-510/23 Trenitalia; C-511/23 Caronte & Tourist; C-466/19 Qualcomm en Qualcomm Europe/Commissie.
Specifiek beleidsterrein: EZ