C-560/21 KISA 

Contentverzamelaar

C-560/21 KISA 

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    16 december 2021
Schriftelijke opmerkingen:                    2 februari 2022

Trefwoorden : functionaris gegevensbescherming, ontslag, verwerkingsverantwoordelijke

Onderwerp :

Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (AVG)

Feiten:

Partijen zijn het oneens over het ontslag van verzoeker als functionaris voor gegevensbescherming. Verzoeker is sinds 01-01-2002 in dienst van verweerder als medewerker op de afdeling belastingen, laatstelijk als applicatie-adviseur. Op 27-02-2004 heeft verweerder verzoeker benoemd tot functionaris voor gegevensbescherming. Bij brief van 15-08-2018 heeft verweerder verzoeker met ingang van 31-08-2018 ontslagen als functionaris voor gegevensbescherming, op grond dat zijn werkzaamheden als functionaris voor gegevensbescherming in strijd waren met zijn beroepsactiviteiten. Verweerder stelt dat het feit dat verzoeker, naast zijn werkzaamheden als applicatie-adviseur, financiële gegevens van burgers moest verwerken, een belangenconflict doet ontstaan met de taken die hem als functionaris voor gegevensbescherming zijn opgedragen. Het juridische standpunt van verzoeker is dat er geen dringende reden is die zijn ontslag zou kunnen rechtvaardigen.

Overweging:

Of het door verweerder ingestelde beroep in Revision slaagt, hangt af van de uitlegging van het recht van de Unie. De bepalingen van het nationale recht stellen strengere voorwaarden aan het ontslag van de functionaris voor gegevensbescherming dan het recht van de Unie. In de nationale doctrine lopen de meningen uiteen over de vraag of de AVG de lidstaten toestaat het ontslag van de functionaris voor gegevensbescherming afhankelijk te stellen van aanvullende voorwaarden. De eerste vraag is derhalve of het Unierecht, en met name artikel 38, lid 3, tweede volzin, AVG, een regeling van een lidstaat toestaat die aan het ontslag van een functionaris voor gegevensbescherming strengere voorwaarden stelt dan het Unierecht. Voor het geval de eerste prejudiciële vraag bevestigend wordt beantwoord, wenst de verwijzende rechter te vernemen of artikel 38, lid 3, tweede volzin, AVG op een toereikende rechtsgrondslag is gebaseerd, in het bijzonder voor zover het betrekking heeft op functionarissen voor gegevensbescherming die een arbeidsverhouding met de verwerkingsverantwoordelijke hebben.

Prejudiciële vragen:

1. Moet artikel 38, lid 3, tweede volzin, van verordening (EU) 2016/679 (algemene verordening gegevensbescherming; hierna: „AVG”) aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een bepaling van nationaal recht, zoals in casu § 6, lid 4, eerste volzin, van het Bundesdatenschutzgesetz (federale wet inzake gegevensbescherming), die het ontslag van de functionaris voor gegevensbescherming door de verwerkingsverantwoordelijke, die zijn werkgever is, afhankelijk stelt van de daarin gestelde voorwaarden, ongeacht of dit ontslag verband houdt met de uitvoering door de functionaris van zijn taken?

Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord:

2. Berust artikel 38, lid 3, tweede volzin, AVG op een toereikende rechtsgrondslag, met name voor zover die bepaling betrekking heeft op functionarissen voor gegevensbescherming die een arbeidsverhouding hebben met de verwerkingsverantwoordelijke?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Ince (C-336/14), ANAFE (C-606/10), Österreichischer Rundfunk e.a. (C-465/00), ASNEF (C-468/10 en C-469/10)

Specifiek beleidsterrein: JenV, SZW