C-860/25 Ticombo

Contentverzamelaar

C-860/25 Ticombo

Prejudiciële hofzaak

Dit fiche is slechts een samenvatting. De verwijzingsbeschikking is bepalend

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     5 maart 2026
Schriftelijke opmerkingen:                     19 april 2026

Trefwoorden: Doorverkoop van toegangsbewijzen, interne markt, evenementenindustrie, dynamische prijsstelling 

Onderwerp: Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie  (VWEU): Artikelen 56, 102 en 106; Richtlijn 2006/123 betreffende diensten op de interne markt: artikelen 15 en 16. 

Verzoekende partijen stellen dat de verbodsbepalingen van ticketdoorverkoop van de Belgische wet van 30 juli 2013 tot gevolg hebben dat zij haar diensten voor geen enkel nationaal evenement kunnen aanbieden, beide aan Belgische consumenten en die uit andere lidstaten. Dit betreft een indirect verbod op de ‘verstrekking van middelen’ die worden aangewend voor de regelmatige of occasionele doorverkoop van toegangsbewijzen voor een hogere prijs dan origineel verkocht. Verzoekende partijen stellen dat een dergelijk niet-discriminerend verbod op doorverkoop organisatoren indirect een exclusief recht op de primaire markt verlenen van oorspronkelijke verkoop, die in strijd is met het Unierecht, in het bijzonder met de artikelen 56, 102 en 106 VWEU en artikelen 15 en 16 van richtlijn 2006/123/EG. 

Prejudiciële vragen: 
1. Moet artikel 56 VWEU worden uitgelegd als een verbod op een nationale regeling die, zoals die welke in het geding is, onder alle omstandigheden en ongeacht de doorverkoopprijs zowel de regelmatige doorverkoop van toegangsbewijzen tot evenementen als de verstrekking van middelen die worden aangewend voor een dergelijke doorverkoop verbiedt en daardoor een belemmering veroorzaakt voor het vrij verrichten van diensten door marktdeelnemers als TICOMBO? 

2. Moeten de artikelen 15 en 16 van richtlijn 2006/123/EG („Dienstenrichtlijn”) juncto artikel 56 VWEU worden uitgelegd als een verbod op een nationale regeling die, zoals die welke in het geding is, de doorverkoop van een toegangsbewijs tegen een hogere prijs dan de oorspronkelijke verkoopprijs, ongeacht de hoogte van deze meerkosten, onder alle omstandigheden verbiedt en daardoor een belemmering veroorzaakt voor het vrij verrichten van diensten door marktdeelnemers als TICOMBO? 

3. Indien de wet van 30 juli 2013 tot gevolg zou hebben dat de regelmatige doorverkoop van toegangsbewijzen tot evenementen alsmede de verstrekking van middelen die worden aangewend voor een dergelijke doorverkoop verboden zijn voor alle spelers op de betrokken markt, moet artikel 106 VWEU juncto artikel 102 VWEU dan worden uitgelegd als een verbod op een dergelijke nationale regeling die: 
– het monopolie van de organisator op de primaire markt van de oorspronkelijke verkoop versterkt en de secundaire markt voor doorverkoop verkleint; 
– de organisator aldus beschermt tegen iedere vorm van concurrentiedruk die het gevolg is van de regelmatige doorverkoop van toegangsbewijzen tegen prijzen onder de nominale waarde; 
– het risico van misbruik door de organisator kan meebrengen, aangezien die eenvoudiger hoge prijzen zal kunnen toepassen?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-540/22 Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (Detachering van werknemers uit derde landen); C-265/12 Citroën Belux; C-416/10; C-920/19 Fluctus e.a.

Specifiek beleidsterrein: EZ

Gerelateerde documenten