C-866/25 Einlagensicherung
Dit fiche is slechts een samenvatting. De verwijzingsbeschikking is bepalend
Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).
Termijnen: Motivering departement: 9 maart 2026 Schriftelijke opmerkingen: 23 april 2026
Trefwoorden: depositogarantie, koopovereenkomst, onroerend goedtransacties, beperkte hogere bescherming
Onderwerp: Richtlijn 2014/49 2014 inzake de depositogarantiestelsels: Artikel 6, lid 2, onder a.
De zaak betreft de verkoop van een woning met parkeerplaats door een woningbouwvereniging (GmbH) aan een particulier. De koopsom werd overeenkomstig een trustregeling gestort op een afzonderlijk geopende trustrekening bij een bank. De trustee was bevoegd om, na inschrijving van de eigendomsoverdracht in het vastgoedregister, de koopsom aan de verkoper over te maken. Voordat de koopsom werd doorgestort, werd de bank failliet verklaard. Daardoor werd het depositogarantiestelsel van toepassing. De instantie voor depositogarantie (hierna: verweerder) keerde een gedeelte van de koopsom uit naar een nieuwe bankrekening van de trustee, maar weigerede het resterende bedrag onder de tijdelijke verhoogde dekking te vergoeden. De koper en de woningbouwvereniging hebben een vordering tot uitbetaling van het resterende bedrag van de koopsom tegen de verweerder ingesteld bij de verwijzende rechter. De verwijzende rechter vraagt het Hof of het deposito van de woningbouwvereniging kan worden aangemerkt als een deposito dat het resultaat is van een onroerendgoedtransactie met betrekking tot een particuliere woning, in de zin van artikel 6, lid 2, onder a), van Richtlijn 2014/49.
Prejudiciële vraag: Moet artikel 6, lid 2, onder a), van richtlijn 2014/49/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 inzake de depositogarantiestelsels aldus worden uitgelegd dat deposito’s van een in de rechtsvorm van een vennootschap met beperkte aansprakelijkheid geëxploiteerde woningbouwvereniging die het resultaat zijn van de verkoop van een woning door deze vennootschap aan een natuurlijke persoon, als „deposito’s die het resultaat zijn van onroerendgoedtransacties met betrekking tot particuliere woningen” moeten worden aangemerkt?
Aangehaalde (recente) jurisprudentie: -
Specifiek beleidsterrein: FIN