C-882/25 Heitenhuis
Dit fiche is slechts een samenvatting. De verwijzingsbeschikking is bepalend
Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).
Termijnen: Motivering departement: 4 maart 2026 Schriftelijke opmerkingen: 18 april 2026
Trefwoorden: asielaanvraag, subsidiaire bescherming, binnenlands gewapend conflict, actor-vereiste
Onderwerp: Richtlijn 2011/95 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming: Artikel 15c.
Verzoeker heeft de Syrische nationaliteit en is afkomstig uit Ruraal Damascus. Er is in Syrië sprake van een internationaal of binnenlands gewapend conflict. Verzoeker komt niet in aanmerking voor vluchtelingenbescherming, maar heeft in maart 2023 in Nederland een verzoek om internationale bescherming ingediend. In het kader van de beoordeling van subsidiaire bescherming op grond van artikel 15(c) van Richtlijn 2011/95 stelt de minister van Asiel en Migratie zich op het standpunt dat, na de val van het Assad-regime, humanitaire omstandigheden die het gevolg zijn van vóór die val gepleegd willekeurig geweld buiten beschouwing moeten blijven. Volgens de minister is het regime van Assad geen actor van ernstige schade meer. Verzoeker is het hier niet mee eens en legt dit kwestie voor aan Rechtbank Den Haag. De rechtbank constateert dat een strikte toepassing van het actor-vereiste voor een onevenredige bewijslast kan zorgen voor verzoeker en mogelijk afbreuk doet aan de subsidiaire beschermingsregeling. Rechtbank Den Haag vraagt het Hof naar de juiste uitleg van het actor-vereiste in artikel 15(c) van Richtlijn 2011/95.
Prejudiciële vraag: Dienen humanitaire omstandigheden die kunnen bijdragen aan een ernstige en individuele bedreiging van het leven van een burger of persoon en die een gevolg zijn van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict, bij het bepalen van het niveau van willekeurig geweld zoals bedoeld in artikel 15c van richtlijn 2011/95 in aanmerking te worden genomen? Zo ja, welke mate van causaal verband is vereist tussen het willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict en deze humanitaire omstandigheden?
Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-125/22 X en Y; C-465/07; C-285/12; C-901/19 Bundesrepublik Deutschland () and individuelles"); C-349/24; C-542/13; C-69/21 Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (Éloignement - Cannabis thérapeutique); C-156/23 Ararat.
Specifiek beleidsterrein: AenM