C-822/25 Lealral

Contentverzamelaar

C-822/25 Lealral

Prejudiciële hofzaak

Dit fiche is slechts een samenvatting. De verwijzingsbeschikking is bepalend

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     9 maart 2026
Schriftelijke opmerkingen:                     23 april 2026

Trefwoorden: internationale competentie, geldigheid schenking en effecten, nalatenschap, bijzondere bevoegdheid, Brussel I bis verordening

Onderwerp: Verordening 1215/2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken: Artikel 7, punt 1, onder a. 

EQ was tot aan haar overlijden in 2021 woonachtig in Frankrijk en stond daar onder curatele. EQ hield geldmiddelen en effecten aan op bankrekeningen bij een financiële instelling in Luxemburg. Na haar overlijden hebben YO, AL, MO en BT (hierna: verzoekers) in Portugal een declaratoire vordering ingesteld strekkende tot vaststelling van de geldigheid van de schenking van die geldmiddelen en effecten, tegen de vertegenwoordiger van de nalatenschap van EQ. Binnen de Portugese gerechten, waaronder de rechtbank waar verzoekers hun vordering instelden, ontstond onzekerheid omtrent de internationale bevoegdheid, aangezien de feiten van de vordering zich deels in Portugal, Frankrijk en Luxemburg voordeden. Hierdoor heeft de Portugese rechtbank in eerste aanleg zich onbevoegd verklaard, wegens het ontbreken van internationale bevoegdheid. De verzoekers hebben tegen deze uitspraak beroep ingesteld. In hoger beroep werd geoordeeld dat zowel Portugese als Franse gerechten bevoegd zouden kunnen zijn, maar dat Frankrijk de meest nauwe band met het geschil had. De verzoekers hebben bij de verwijzende rechter cassatie ingesteld. De verwijzende rechter vraagt het Hof om uitleg over de kwalificatie van de vordering en de toepassing van de bijzondere bevoegdheidsregels van het Unierecht.

Prejudiciële vragen: 
1. Moet artikel 7, punt 1, onder a), van verordening (EU) nr. 1215/2012 aldus worden uitgelegd dat een vordering als de onderhavige, waarmee wordt beoogd de geldigheid vast te stellen van een schenking van op bankrekeningen aangehouden geldbedragen, een vordering betreffende verbintenissen uit overeenkomst is? 

In het geval dat de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord: 

2. In welke plaats is de verbintenis uitgevoerd of moet de verbintenis worden uitgevoerd, in de zin van artikel 7, punt 1, onder a), van verordening (EU) nr. 1215/2012, in een geval als het onderhavige, waarin de schenker woonachtig was in Frankrijk, de begiftigden – thans rekwiranten – woonachtig zijn in Portugal, de gestelde schenking heeft plaatsgevonden in Portugal en de gesteld geschonken vermogensbestanddelen worden aangehouden bij een financiële instelling met statutaire zetel in Luxemburg? 

Indien uit het antwoord op de tweede vraag zou volgen dat de gerechten die bevoegd zijn volgens de bijzondere bevoegdheidsregel van artikel 7, punt 1, onder a), van verordening (EU) nr. 1215/2012, niet de gerechten zijn die bevoegd zijn volgens de algemene bevoegdheidsregel van artikel 4, lid 1, van diezelfde verordening:

3. Aangezien er geen sprake is van exclusieve bevoegdheid (artikel 24) of bevoegdheid op basis van overeenkomst (artikel 25), moet dan, in het licht van de overwegingen 15 en 16 van verordening (EU) nr. 1215/2012, worden aangenomen dat verzoekers kunnen kiezen bij welke gerechten zij hun vordering instellen, of moet daarentegen worden aangenomen dat de bevoegdheid van sommige van deze gerechten voorrang heeft boven die van andere, en indien dat het geval is, op grond van welk criterium?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-417/15; C-144/23 KUBERA.

Specifiek beleidsterrein: JenV