Op deze pagina:
Nederland is verplicht de nakoming van het EU-recht te verzekeren. De centrale overheid en decentrale overheden moeten de EU-regels naleven en handhaven. Ook dienen EU-richtlijnen op tijd te worden omgezet in nationale regels.
De Europese Commissie is op grond van artikel 17, eerste lid, van het EU-Verdrag verantwoordelijk voor het toezicht op de naleving van de EU-verdragen en de maatregelen die krachtens de verdragen worden vastgesteld. De Europese Commissie kan klachten over het niet eerbiedigen van het EU-recht in een informele procedure (EU PILOT) voorleggen aan Nederland. Ook kan de Commissie op basis van artikel 258 van het EU-Werkingsverdrag een formele inbreukprocedure starten tegen Nederland wanneer de Commissie van mening is dat Nederland zijn verplichtingen op grond van het EU-recht niet is nagekomen. Dit kan uiteindelijk resulteren in een veroordeling door het EU-Hof en leiden tot de oplegging van boetes en dwangsommen (zie de ECER-themapagina over boetes en dwangsommen).
Op grond van artikel 259 van het EU-Werkingsverdrag kunnen de lidstaten zelf het initiatief nemen tot de inbreukprocedure, maar in de praktijk komt dit zeer zelden voor. Een voorbeeld van een zaak waarin dit wel het geval was, is zaak C-591/17 (Oostenrijk- Duitsland).
Naar boven
De EU PILOT is een informele werkmethode die op vrijwillige basis is afgesproken tussen de Commissie en de EU-lidstaten (zie deze mededeling van de Commissie uit 2007). De methode is bedoeld om problemen op te lossen met betrekking tot de uitleg/toepassing/implementatie van het recht van de Europese Unie door de lidstaten. De EU PILOT ziet op de zogenoemde ‘pre-infractiefase’, dat wil zeggen de informele fase die voorafgaat aan een formele inbreukprocedure op grond van artikel 258 van het EU-Werkingsverdrag.
Indien de Commissie klachten ontvangt of zelf vragen heeft zal zij doorgaans niet direct een inbreukprocedure starten, maar de lidstaat eerst om opheldering vragen c.q. de lidstaat de kans geven het probleem op te lossen. Het betreft in dergelijke gevallen een informele procedure; een ‘constructieve dialoog’ tussen Commissie en lidstaat. De procedure verloopt volledig elektronisch. De behandeling van klachten is vertrouwelijk.
Grofweg werkt de methode als volgt: de Commissie stuurt een informatieverzoek aan Nederland. Nederland krijgt tien weken de tijd om te reageren. Na ontvangst van het antwoord beoordeelt de Commissie - meestal binnen tien weken- of het antwoord van Nederland acceptabel is. Er kunnen ook aanvullende vragen worden gesteld of er kan om een follow up worden gevraagd. Dat komt regelmatig voor. De zaak wordt dan pas gesloten als de Commissie helemaal tevreden is. Als de Commissie het antwoord verwerpt dan kan de Commissie een inbreukprocedure beginnen.
Niet alle EU-kwesties vallen binnen het bereik van de EU PILOT. Inbreuken op het EU-recht behandelt de Commissie in beginsel niet (meer) in de EU PILOT (zie daarvoor deze mededeling van de Commissie). Tegen inbreuken moet volgens de Commissie namelijk onmiddellijk worden opgetreden. Bij inbreuken op EU-wetgeving moeten de Commissie en de lidstaten snel handelen bij het onderzoek.
De structurele oplossingsgerichte dialoog tussen de Commissie en de lidstaten, die bij de EU PILOT plaatsvindt, is in het leven geroepen om potentiële inbreuken op de EU-wetgeving in daartoe geschikte gevallen in een vroeg stadium en snel op te lossen. Het is niet de bedoeling om de inbreukprocedure, die op zich een middel is om een probleemoplossende dialoog met een lidstaat aan te gaan, aanzienlijk te verlengen via een EU PILOT. De Commissie geeft in de mededeling aan dat zij inbreukprocedures dan ook zal inleiden zonder gebruik te maken van het probleemoplossingsmechanisme EU PILOT, tenzij dit in een bepaald geval nuttig wordt geacht.
De Commissie start een inbreukprocedure door een aanmaningsbrief te sturen aan de betrokken lidstaat. De lidstaat krijgt vervolgens de gelegenheid om de beschuldigingen van de Commissie te weerleggen (zie onder meer zaak C-51/83, Commissie - Italië). Als de lidstaat de mogelijkheid te reageren wordt onthouden, dan is sprake van een schending van wezenlijke vormvoorschriften en zal het EU-Hof geen uitspraak doen (zie onder meer zaak C-306/91, Tabaksprijzen). In de aanmaningsbrief moet nauwkeurig worden omschreven waaruit de vermeende inbreuk bestaat, omdat de lidstaat op basis hiervan zijn verdediging voorbereidt (zie onder meer zaak C-211/81, Meetmiddelen). Afwijking van de in de aanmaningsbrief gebruikte formulering in een later stadium van de procedure is niet toegestaan (zie onder meer zaak C- 51/83, Commissie - Italië)
De termijnen die de Commissie in de administratieve fase stelt voor beantwoording van haar brieven worden door Buitenlandse Zaken bewaakt. Alle zogenaamde ingebrekestellingen en met redenen omklede adviezen (zie volgende paragraaf) worden in een overzicht verwerkt. Dit overzicht en de stand van zaken bij het beantwoorden van brieven van de Commissie worden elk kwartaal in de ICER-H besproken. De minister van Buitenlandse Zaken rapporteert hierover aan de Ministerraad en het overzicht wordt aan de Tweede Kamer gezonden. In de bijlagen bij deze Kamerbrieven is onder meer een overzicht van lopende en geseponeerde ingebrekestellingsprocedures per beleidsverantwoordelijk ministerie terug te vinden. Ook is terug te zien per ministerie welke implementatietermijnen voor EU-richtlijnen op schema lopen of (niet) zijn gehaald.
Als blijkt dat de lidstaat weigert een einde aan de (vermeende) inbreuk te maken, dan gaat de Commissie over tot het opstellen van een met redenen omkleed advies (MROA). Hierin staat het definitieve standpunt van de Commissie en wordt aan de lidstaat medegedeeld welke maatregelen genomen moeten worden om de inbreuk te beëindigen. Bovendien stelt de Commissie een termijn waarbinnen het verzuim hersteld moet zijn.
Volgt de lidstaat het advies niet of niet voldoende op, dan kan de Commissie een beroep bij het EU-Hof aanhangig maken. Dit is een discretionaire bevoegdheid, de Commissie is dus niet verplicht hiertoe over te gaan. De Commissie hoeft niet aan te tonen dat zij een belang heeft bij het beroep (zie onder meer zaak C-167/73, Commissie - Frankrijk). Zeer geringe verdragsschendingen kunnen ook aan het EU-Hof worden voorgelegd (zie onder meer zaak C-280/89, Commissie - Ierland).
Het beroep wordt door het EU-Hof in volle omvang getoetst: op grond van alle relevante omstandigheden verklaart het EU-Hof een beroep geheel of gedeeltelijk gegrond, of wijst het af. Als het EU-Hof een inbreuk aanwezig acht, is de lidstaat verplicht deze onverwijld te beëindigen (zie artikel 260, lid 1 EU-Werkingsverdrag) (zie onder meer zaak C-167/87, Commissie - Frankrijk). Het nationale voorschrift dat in strijd is met het EU-recht kan in deze procedure door het EU-Hof niet buiten werking gesteld of vernietigd worden.
Nederland wordt in de contentieuze fase van de inbreukprocedures voor het EU-Hof vertegenwoordigd door de agenten van het ministerie van Buitenlandse Zaken (DJZ/ER). Dit departement coördineert, mede in het kader van de ICER-H, de totstandkoming van het voor het Hof te verdedigen Nederlandse standpunt en zorgt daarbij dat de door het EU-Hof gestelde termijnen worden gerespecteerd.
Weigert een lidstaat gevolg te geven aan een uitspraak van het EU-Hof, dan kan de Commissie op grond van artikel 260, lid 2 EU-Werkingsverdrag het EU-Hof verzoeken de lidstaat een forfaitaire som of dwangsom op te leggen. De eerste twee lidstaten die door het EU-Hof een dwangsom opgelegd kregen, waren Griekenland en Spanje (zaak C-387/97, Commissie - Griekenland, en zaak C-278/01, Commissie - Spanje).
In de praktijk blijkt een groot deel van de '258-zaken' betrekking te hebben op de niet tijdige omzetting van richtlijnen. Daarom is voor die zaken in het Verdrag van Lissabon de mogelijkheid gecreëerd voor de Commissie om het EU-Hof meteen aan het begin van de inbreukzaak bij het EU-Hof een boete of dwangsom te eisen, op basis van artikel 260, lid 3 EU-Werkingsverdrag. De Commissie heeft een mededeling (2010/1371) uitgebracht over de toepassing van dit artikel. Voor meer informatie verwijzen wij u door naar de ECER-themapagina over boetes en dwangsommen.
Ook particulieren kunnen een klacht indienen over vermeende schending van EU-wetgeving door een lidstaat bij bijvoorbeeld de Europese Commissie. Het moet dan gaan om een vermeende schending van het EU-recht door een overheid van een EU-lidstaat en er bestaat een apart klachtenformulier voor.
Bij een klacht over een vermeende inbreuk bij de Europese Commissie, neemt de Commissie de klacht via een bepaalde procedure in behandeling. Wanneer de Commissie besluit dat de klacht gegrond is en vervolgens een formele inbreukprocedure start, wordt de klager desgewenst van het verdere verloop van de procedure op de hoogte gesteld. Meer informatie over hoe een dergelijke procedure verloopt, en hoe de informatievoorziening over dergelijke procedures is vormgegeven, is na te lezen in de Mededeling over contacten met klagers inzake de toepassing van het EU-recht uit 2017.
Ten aanzien van het bieden van inzicht in dergelijke klachtenprocedures tegen lidstaten is een onderscheid te maken tussen zogenaamde gelijkaardige klachten en individuele klachten. In het geval van gelijkaardige klachten gaat het om gevallen waarin de Europese Commissie meerdere klachten heeft gekregen over dezelfde nationale wetgeving en/of rechtspraak waarmee een EU-lidstaat volgens de klagers een vermeende inbreuk op EU-recht zou maken. De besluiten van de Europese Commissie over dergelijke gelijkaardige klachten worden (op hun zogenaamde CHAP-dossiernummer (Complaint Handling/Accueil des Plaignants; het klachten en registratiesysteem van de Commissie) gepubliceerd op deze webpagina van de Europese Commissie. De ontvangstbevestigingen van gelijkaardige klachten met algemene achtergrondinformatie over de klacht en de vermeende inbreuk zijn in te zien via deze webpagina. De achterliggende gedachte voor de publicatie van dergelijke klachten op deze webpagina’s is dat alle betrokkenen op deze manier snel een reactie ontvangen en dat daarbij rekening wordt gehouden met een eventuele bredere belangstelling voor de kwestie die de klagers hebben aangekaart. De CHAP-dossier(nummer)s van individuele klachten worden niet openbaar gemaakt.