Bescherming van de volksgezondheid
Op deze pagina:
- Inleiding
- Verdragsbepalingen vrij verkeer
- Rechtspraak over de uitzonderingsgrond voor volksgezondheid
- Richtlijn 2004/38: volksgezondheid en het individuele vrije personenverkeer
- Bescherming van de volksgezondheid en derdelanders
- Covid-19-pandemie: uitzonderingen op het vrij personenverkeer
Inleiding
De EU is slechts beperkt bevoegd om ter bescherming van de volksgezondheid maatregelen te nemen (zie artikel 4, lid 2, onder k, EU-Werkingsverdrag en artikel 6, onder a, EU-Werkingsverdrag). De bevoegdheid om ter bescherming van de volksgezondheid maatregelen vast te stellen is grotendeels voorbehouden aan de lidstaten. Dit uitgangspunt komt tot uitdrukking in de Verdragsuitzonderingen, waar telkens expliciet wordt benadrukt dat de bescherming van de volksgezondheid als rechtvaardiging kan worden aangevoerd voor een beperking van het vrij verkeer.
De lidstaten zijn echter niet volledig vrij om hun bevoegdheden op het gebied van de volksgezondheid uit te oefenen. Volgens het EU-Hof moeten de lidstaten van hun bevoegdheden gebruikmaken met inachtneming van het EU-recht, waaronder de vrijverkeersrechten.
Verdragsbepalingen vrij verkeer
Goederen
De artikelen 34 en 35 EU-Werkingsverdrag bepalen dat alle kwantitatieve invoer- en uitvoerbeperkingen en alle maatregelen van gelijke werking tussen de lidstaten verboden zijn. Deze bepalingen vormen echter geen beletsel voor verboden of beperkingen van invoer, uitvoer of doorvoer die gerechtvaardigd zijn voor de bescherming van de gezondheid van personen (artikel 36 EU-Werkingsverdrag).
Personen (en diensten)
Artikel 45, lid 2, EU-Werkingsverdrag verbiedt elke vorm van discriminatie op grond van de nationaliteit tussen werknemers uit de EU. Werknemers moeten zich dus vrij kunnen verplaatsen binnen de EU. Aan het recht om zich als werknemer vrij te kunnen verplaatsen mogen echter beperkingen worden gesteld ter bescherming van de volksgezondheid (artikel 45, lid 3, EU-Werkingsverdrag).
Artikel 49, eerste alinea, EU-Werkingsverdrag verbiedt beperkingen van de vrijheid van vestiging als zelfstandige voor onderdanen van een lidstaat op het grondgebied van een andere lidstaat. Daarnaast verbiedt artikel 56, eerste alinea, EU-Werkingsverdrag beperkingen op het vrij verrichten van diensten binnen de EU ten aanzien van EU-onderdanen die in een andere lidstaat zijn gevestigd dan die waarin degene is gevestigd voor wie de dienst wordt verricht. Beperkingen op de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten zijn echter wel toegestaan wanneer deze beperkingen gerechtvaardigd zijn uit hoofde van de volksgezondheid (artikel 52, lid 1 en artikel 62 EU-Werkingsverdrag).
Rechtspraak over de uitzonderingsgrond voor volksgezondheid
Een beperking van de vrijverkeersrechten uit hoofde van de volksgezondheid moet geschikt zijn om haar doel te bereiken en niet verder gaan dan daarvoor noodzakelijk is (de zogeheten proportionaliteitstoets) (C-496/01). De lidstaten die zich beroepen op de uitzonderingsgrond voor de volksgezondheid moeten een steekhoudende rechtvaardiging kunnen geven die een rechterlijke beoordeling kan doorstaan. De rechtspraak van het EU-Hof op het gebied van de volksgezondheid valt uiteen in drie categorieën, die hieronder afzonderlijk worden behandeld.
Beperkingen aan het ontvangen van medische zorg in een andere lidstaat
- Lidstaten mogen hun eigen onderdanen beperken in hun mogelijkheden om in een andere lidstaat niet-noodzakelijke medische zorg te ondergaan wanneer de financiële houdbaarheid van nationale socialezekerheidsstelsels of de kwaliteit van de medische zorg in het geding kan komen. De maatregel moet wel geschikt (proportioneel) zijn om deze doelstellingen te bereiken (zie o.a. C-157/99 en C-385/99)
- Het EU-Hof heeft de informatiebrochure 'Het Hof van Justitie en de gezondheidszorg' uitgebracht, waarin een uitgebreid overzicht van zijn rechtspraak op dit gebied is opgenomen.
- De rechtspraak van het EU-Hof op dit terein is inmiddels ook grotendeels vastgelegd in richtlijn 2011/24, de zogenoemde Patiëntenrichtlijn.
Beperkingen aan de vrijheid van vestiging en het vrije dienstenverkeer van zorgverleners
Ter bescherming van de volksgezondheid kunnen lidstaten eisen dat medische dienstverleners bepaalde vergunningen en/of beroepskwalificaties hebben. Het doel hiervan is om een hoge kwaliteit van medische diensten te kunnen garanderen. Uit de rechtspraak van het EU-Hof volgt ten aanzien van zulke eisen het volgende:
- Het vereisen van vergunningen en/of specifieke beroepskwalificaties voor het verlenen van medische diensten is toegestaan wanneer deze tot doel hebben de volksgezondheid te beschermen en geschikt zijn (proportioneel) om dat doel te bereiken. Om geschikt te zijn is het in het bijzonder van belang dat de regeling coherent en systematisch wordt toegepast (C-171/07 en C-172/07; C-108/96).
- Ongeschikt ter bescherming van de volksgezondheid is bijvoorbeeld een vergunning die niet voor alle soortgelijke medische dienstverleners geldt, en waarvan bovendien de beoordelingscriteria vooraf niet kenbaar zijn, of binnen een lidstaat zelfs kunnen verschillen (C-169/07).
- Ongeschikt is een verbod op het exploiteren van meer dan één praktijk (in de zaak C-140/03 ging het om een optiezaak) of een verplichting om de hoofdexploitatiezetel in de lidstaat te hebben waar de medische diensten worden verleend (C-496/01). Deze eisen gaan namelijk verder dan noodzakelijk is voor de bescherming van de volksgezondheid
Beperkingen van het vrije verkeer van studenten (toegang tot medische studies)
Het EU-Hof heeft in verschillende arresten geoordeeld over
beperkingen op de toegang van studenten uit andere lidstaten tot
medische opleidingen. In deze arresten is het EU-Hof telkens zeer
kritisch geweest over het argument dat de studenten na afloop van hun
studie terugkeren naar hun eigen lidstaat, waardoor medische
opleidingscapaciteit verloren ging die beter kon worden ingezet voor
eigen studenten (zie onder meer C-73/08). Naar
boven
Online medicijnen
verkoop en bescherming volksgezondheid
Inhoudsopgave
1. Inleiding
2. Wettelijk
kader
3. Rechtspraak
1. Inleiding
Maatregelen van de lidstaten met betrekking
tot de onlineverkoop van medicijnen en medische hulpmiddelen kunnen
meerdere terreinen van het EU-recht raken. Naast het vrije
verkeer van goederen (artikel 28 EU-Werkingsverdrag) gaat het om
het vrije
verkeer van diensten (artikel 56) (met name de diensten van de
informatiemaatschappij), de vrijheid
van vestiging (artikel 49) en tegelijk over de mogelijkheid om
ter bescherming
van de volksgezondheid maatregelen op de interne EU-markt kunnen
te nemen via de uitzonderingsgrond in het Verdrag als rechtvaardiging
voor een beperking van het vrij verkeer (zie onder meer artikel
4, lid 2, onder k en artikel
6, onder a EU-Werkingsverdrag).
De informatie in dit
onderdeel van de ECER-website over online medicijnen verkoop en
bescherming van de volksgezondheid geeft een overzicht van het
Europeesrechtelijke wettelijk kader en de relevante rechtspraak met
betrekking tot onlineverkoop van medicijnen en hulpmiddelen in relatie
tot de vrij verkeer-regels en interne marktmaatregelen die ter
bescherming van de volksgezondheid daarbij aan de orde kunnen komen.
Meer informatie over het generieke EU-beleid op het gebied van
volksgezondheid is in het betreffende ECER-dossier
te vinden.
2. Wettelijk kader
Ten aanzien van EU-ondernemingen die in
de Europese Unie online medicijnen verkopen ten behoeve van
EU-onderdanen, en daarbij –evenals EU-lidstaten- in aanraking kunnen
komen met EU-recht over vrij verkeer (denk aan: medicijnen als goed,
online verkoop als dienst) en bescherming van de volksgezondheid,
zijn meer in het bijzonder de volgende specifieke verdragsbepalingen
in relatie tot vrij verkeer van goederen
en diensten
en specifieke EU-richtlijnen relevant.
Vrij verkeer van goederen
Artikel
34 EU-Werkingsverdrag bepaalt in het kader van vrij
goederenverkeer dat alle kwantitatieve invoerbeperkingen en alle
maatregelen van gelijke werking tussen de lidstaten verboden zijn. Artikel
35 bepaalt hetzelfde voor uitvoerbeperkingen. Op grond van artikel
36 EU-Werkingsverdrag zijn dergelijke beperkingen echter toegestaan
uit hoofde van – onder andere – de bescherming van de gezondheid en
het leven van personen.
Vrij verkeer van diensten
Artikel
49, eerste alinea, EU-Werkingsverdrag verbiedt in het kader van
vrij dienstenverkeer beperkingen op het beginsel van vrijheid van
vestiging. Dit verbod beoogt met name de uitoefening van een beroep
(met een permanent karakter) door een EU-onderdaan in een andere
lidstaat mogelijk te maken. Daarnaast verbiedt artikel
56, eerste alinea, EU-Werkingsverdrag beperkingen op het vrij
verrichten van diensten binnen de EU ten aanzien van EU-onderdanen die
in een andere lidstaat zijn gevestigd dan die waarin degene is
gevestigd voor wie de dienst wordt verricht.
Beperkingen op de
vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten zijn echter
wel toegestaan
wanneer deze beperkingen zijn gerechtvaardigd uit hoofde van de
bescherming van de volksgezondheid (artikel
52, lid 1 en artikel
62 EU-Werkingsverdrag).
Diensten van de informatiemaatschappij
Richtlijn
2000/31 inzake elektronische handel regelt bepaalde aspecten
rondom diensten van de informatiemaatschappij binnen de EU. De
richtlijn beoogt een duidelijk en algemeen kader betreffende bepaalde
juridische aspecten van de elektronische handel in de interne makt
vast te stellen. Een dienst van de informatiemaatschappij is elke
dienst die gewoonlijk tegen vergoeding, langs elektronische weg, op
afstand en op individueel verzoek van een afnemer van diensten wordt
verricht (artikel 2, onder a, richtlijn 2000/31) . Blijkens
overweging 18 van richtlijn 2000/31 bestrijken deze diensten een grote
verscheidenheid aan economische activiteiten die online plaatsvinden,
in het bijzonder de onlineverkoop van goederen. Ook online diensten op
het gebied van medicijnenverkoop kunnen derhalve onder het
toepassingsbereik van deze richtlijn vallen.
Met betrekking tot het starten en het uitoefenen van diensten van de informatiemaatschappij kan een lidstaat bepaalde vereisten stellen. Deze in het nationale rechtstelsel vastgelegde eisen voor dienstverleners en diensten van de informatiemaatschappij betreffen het zogenoemde gecoördineerde gebied (artikel 2, onder h, richtlijn 2000/31). In Nederland is de richtlijn omgezet in de Aanpassingswet richtlijn inzake elektronische handel.
Ingevolge artikel 3, lid 1 richtlijn 2000/31 zorgt iedere lidstaat dat de diensten van de informatiemaatschappij die worden verleend door een op zijn grondgebied gevestigde dienstverlener voldoen aan de in die lidstaat geldende nationale bepalingen die binnen het gecoördineerde gebied vallen. De lidstaten mogen het vrije verkeer van diensten van de informatiemaatschappij die vanuit een andere lidstaat worden geleverd niet beperken om redenen die vallen binnen het gecoördineerde gebied (artikel 3, lid 2, richtlijn 2000/31). Ook hiervan kan onder bepaalde voorwaarden worden afgeweken, bijvoorbeeld uit hoofde van de grond van bescherming van de volksgezondheid (artikel 3 lid 4 onder a) sub i), en mits de maatregel die de lidstaat hiervoor neemt onder meer noodzakelijk en evenredig is (artikel 3, lid 4, richtlijn 2000/31).
Verkoop op afstand van geneesmiddelen
In artikel
85 quater, lid 1 van richtlijn
2001/83 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende
geneesmiddelen voor menselijk gebruik zijn de voorwaarden
neergelegd waaronder geneesmiddelen via diensten van de
informatiemaatschappij (onlineverkoop) op afstand te koop kunnen
worden aangeboden. Hierbij dienen een informatieprocedure op het
gebied van normen en technische voorschriften en de regels betreffende
diensten van de informatiemaatschappij in acht te worden genomen. Een
voorwaarde is dat de (rechts)persoon die de geneesmiddelen te koop
aanbiedt, in de betreffende lidstaat van vestiging bevoegd is om
geneesmiddelen te verstrekken. Uit hoofde van de bescherming van de
volksgezondheid kunnen lidstaten de verkoop op afstand van
geneesmiddelen beperken (artikel
85 quater, lid 2, richtlijn 2001/83).
3. Rechtspraak
In de diverse EU-Hof jurisprudentie over (online)verkoop van medicijnen en medische hulpmiddelen wordt nadere duiding gegeven aan hoe deze verkoopactiviteiten door betrokken (rechts)personen zich verhouden met vrij verkeersbepalingen, met relevante EU-richtlijnen en hoe daar bijvoorbeeld eventuele rechtvaardigingsgronden en een noodzakelijkheids- en geschiktheidstoets bij eventuele beperkingen op het vrije verkeer kunnen worden toegepast.
Welke activiteiten zijn diensten van de
informatiemaatschappij?
Bij de onlineverkoop van medicijnen
kunnen volgens het EU-Hof meerdere bestanddelen worden
onderscheiden. De onlineverkoop begint met de verkoopovereenkomst
waarvoor het onlineaanbod en het elektronisch sluiten van een
overeenkomst kenmerkend zijn. Vervolgens wordt het verkochte product
bij de klant aan huis geleverd. In bijzondere gevallen raadpleegt de
klant voor het moment van verkoop of levering een arts (zaak C-108/09
, punt 22) .
Ook is het voor de vraag welke onlinediensten rondom
medicijnverkoop wel en niet onder ‘diensten van de
informatiemaatschappij’ vallen relevant te onderscheiden dat er
activiteiten ter voorbereiding van de onlineverkoop kunnen plaatsvinden.
Wat in de eerste plaats de (online) verkoopovereenkomst betreft,
heeft het EU-Hof (punten 23-29) geoordeeld dat deze een dienst van de
informatiemaatschappij betreft. Diensten van de informatiemaatschappij
omvatten immers de verkoop van goederen en diensten voor elektronische
onlinetransacties voor de aankoop van goederen als interactieve
aankoop op afstand en elektronische handelscentra (C-108/09
, punt 25).
In de tweede plaats moet volgens het EU-Hof een
nationale maatregel die leveringsvoorwaarden bevat die buiten richtlijn
2000/31 vallen worden getoetst aan primair Unierecht, derhalve het
EU-Werkingsverdrag. Daarbij kan de vraag spelen of moet worden
getoetst aan het vrij verkeer van diensten dan wel aan het vrij
verkeer van goederen. Het EU-Hof merkt hierover op dat een nationale
maatregel over een modaliteit voor de internetverkoop van goederen en
de levering ervan bij de consument aan huis (in dit geval van medische
hulpmiddelen) slechts aan de regels inzake vrij verkeer van goederen,
en dus artikelen
34 en 36
van het EU-Werkingsverdrag dient te worden getoetst (C-108/09
, onder meer punten 44-47 en 56) .
In de derde plaats vallen
activiteiten ter voorbereiding van de onlineverkoop van medicijnen
(bijvoorbeeld reclameactiviteiten), die een ondergeschikt element zijn
van en onlosmakelijk verbonden zijn met de onlineverkoopdienst,
volgens het EU-Hof wel onder richtlijn
2000/31. Hierbij is het niet van belang of dergelijke activiteiten
via de fysieke of elektronische media worden verricht (zaak C-649/18,
onder meer punt 59).
Verbod op de online postorderverkoop van geneesmiddelen die
in een betrokken lidstaat uitsluitend in apotheken mogen worden
verkocht
In zaak C-322/01
stelt het EU-Hof dat een nationaal verbod op online postorderverkoop
van geneesmiddelen die in de betrokken lidstaat uitsluitend in de
apotheken mogen worden verkocht een maatregel van gelijke werking
vormt in de zin van artikel
34 EU-Werkingsverdrag. Volgens het EU-Hof hindert een dergelijk
verbod buitenlandse apotheken namelijk meer dan apotheken in de
betrokken lidstaat. Het internet is voor in andere lidstaten
gevestigde apotheken een belangrijker middel om de markt van
eindverbruikers van geneesmiddelen in de betrokken lidstaat
rechtstreeks te bereiken dan voor apotheken die al in die lidstaat
zijn gevestigd.
Een dergelijke nationale regeling kan volgens het EU-Hof echter uit hoofde van de bescherming van de volksgezondheid worden gerechtvaardigd (artikel 36 EU-Werkingsverdrag), voor zover dit verbod voor recept plichtige geneesmiddelen geldt. Een beperking van het vrij verkeer van goederen ten aanzien van recept plichtige geneesmiddelen is in zo een geval gerechtvaardigd, omdat er risico’s verbonden kunnen zijn aan het gebruik van deze geneesmiddelen en het noodzakelijk is dat de echtheid van door artsen opgestelde recepten doeltreffend en verantwoord kan worden gecontroleerd.
Op die manier kan worden verzekerd dat het geneesmiddel wordt afgegeven aan de klant zelf of aan iemand die van de klant de opdracht heeft gekregen om het op te halen.
Artikel 36 EU-Werkingsverdrag kan daarentegen niet worden aangevoerd ter rechtvaardiging van een absoluut verbod op de online postorderverkoop van geneesmiddelen die in de betrokken lidstaat receptvrij zijn.
Verbod op het bezit en de exploitatie van apotheken door
personen die niet de hoedanigheid van apotheker hebben
Onlineverkoop van medicijnen kan in veel gevallen gepaard gaan
met de exploitatie van apotheken. In gevoegde
zaken C-171/07 en C 172/07 bepaalt het EU-Hof dat een nationale
regeling die personen zonder de hoedanigheid van apotheker verbiedt om
apotheken te bezitten en te exploiteren, een beperking vormt van de
vrijheid van vestiging (artikel
49 EU-Werkingsverdrag). De onderhavige nationale regeling van
uitsluiting van niet-apothekers vormt volgens het EU-Hof een
dergelijke beperking omdat deze de exploitatie van apotheken
voorbehoudt aan apothekers en daardoor andere marktdeelnemers de
toegang tot deze activiteit als zelfstandige in de betrokken lidstaat
ontzegt. Een dergelijke beperking kan worden gerechtvaardigd uit
hoofde van dwingende overwegingen van algemeen belang, zoals de
bescherming van de volksgezondheid (artikel
52, lid 1, EU-Werkingsverdrag), die geschikt zijn om het
nagestreefde doel te waarborgen en die niet verder gaan dan
noodzakelijk om dat doel te bereiken. Ten aanzien van de
geschiktheidstoets is van belang dat de betreffende nationale regeling
volgens het EU-Hof een veilige en kwalitatief hoogstaande
geneesmiddelen- voorziening van de bevolking, en dus ook de
volksgezondheid kan waarborgen.
Verbod op verkoop van contactlenzen buiten speciaalzaken voor
medische hulpmiddelen
Volgens het EU-Hof in zaak C-108/09
vallen nationale regels inzake de verkoop van contactlenzen binnen de
werkingssfeer van richtlijn
2000/31, voor zover het gaat om de verkoop van deze lenzen via internet.
De artikelen 34 en 36 EU-Werkingsverdrag alsook richtlijn 2000/31 verzetten zich volgens het EU-Hof echter tegen een nationale regeling volgens welke contactlenzen uitsluitend in speciaalzaken voor medische hulpmiddelen mogen worden verkocht. Een dergelijke regeling vormt een door artikel 34 EU-Werkingsverdrag verboden maatregel van gelijke werking. Het uit onderhavige nationale regeling voortvloeiende verbod om contactlenzen te verkopen op andere manieren dan via speciaalzaken voor medische hulpmiddelen is namelijk ook van toepassing op de verkoop van contactlenzen uit andere lidstaten, die via postorderverkoop worden verkocht en aan op het nationale grondgebied wonende consumenten worden geleverd. Het verbod ontneemt volgens het EU-Hof de marktdeelnemers uit andere lidstaten een bijzonder doeltreffende modaliteit voor de verkoop van deze producten en hindert dus de toegang van laatstgenoemden tot de markt van de betrokken lidstaat aanzienlijk.
De betreffende nationale maatregel kan volgens het EU-Hof in principe worden gerechtvaardigd door het doel van bescherming van gezondheid van contactlenzendragers (artikel 36 EU-Werkingsverdrag). Tevens acht het EU-Hof de maatregel geschikt om dit doel te bereiken. Door de aflevering van contactlenzen voor te behouden aan optiekspeciaalzaken die diensten van een geschoold opticien aanbieden, wordt namelijk door geschoold personeel bepaald welke soort lenzen het meest geschikt is, wordt gecontroleerd of de klant de lenzen juist op zijn ogen aanbrengt en wordt hij ingelicht over het correcte gebruik en onderhoud ervan. De nationale regeling is volgens het EU-Hof echter niet evenredig aan het doel de volksgezondheid te beschermen, daar dit doel kan worden bereikt met minder restrictieve maatregelen dan die welke uit deze regeling voortvloeien. Bijvoorbeeld door alleen de eerste levering van lenzen aan bepaalde beperkingen te onderwerpen en door de betrokken marktdeelnemers ertoe te verplichten, een geschoold opticien (op afstand) aan de klant ter beschikking te stellen voor advies en inlichtingen.
Bepaalde activiteiten ter voorbereiding van de onlineverkoop
van geneesmiddelen
Richtlijn
2000/31 verzet zich er volgens het EU-Hof in zaak
C-649/18 niet tegen dat de lidstaat van bestemming van een
onlineverkoopdienst voor receptvrije geneesmiddelen, op een in een
andere lidstaat gevestigde verlener van deze dienst, een nationale
regeling toepast waarbij (onder bepaalde voorwaarden):
- aan apotheken een verbod wordt opgelegd om hun klanten te
benaderen via bepaalde methoden en middelen, waaronder de massale
verspreiding van reclamedrukwerk en reclamefolders buiten de
apotheek;
- aan apotheken een verbod wordt opgelegd om
reclameaanbiedingen te doen die inhouden dat er bij overschrijding
van een bepaald bedrag een korting wordt toegekend op de totale
prijs van de bestelde geneesmiddelen;
- apotheken verplicht
worden om in het onlinebestelproces voor geneesmiddelen een
gezondheidsvragenlijst op te nemen.
Richtlijn
2000/31 verzet zich er volgens het EU-Hof wel tegen dat aan
apotheken die dergelijke geneesmiddelen verkopen een verbod wordt
opgelegd om gebruik te maken van gesponsorde links in zoekmachines en
prijsvergelijkers.
Verbod om klanten te benaderen via
de massale verspreiding van reclamedrukwerk en reclamefolders
buiten de apotheek
Een dergelijk verbod vormt volgens het
EU-Hof een beperking op het vrij verrichten van diensten van de
informatiemaatschappij in de zin van artikel 3, lid 2 van richtlijn
2000/31. Het onderhavig aan de orde zijnde nationale verbod van de
ene lidstaat beperkt een in een andere lidstaat gevestigde apotheek om
zich bij potentiële klanten in die eerste lidstaat kenbaar te maken.
Ook worden in andere lidstaten gevestigde apotheken door het nationale
verbod van de ene lidstaat beperkt in hun mogelijkheden om de
onlineverkoopdienst van de producten die zij de klanten aanbieden te promoten.
De bescherming van de waardigheid van een gereglementeerd beroep (zoals apotheker) kan volgens het EU-Hof , gelet op het belang van de vertrouwensband die moet bestaan tussen een gezondheidswerker en zijn patiënt, een met de bescherming van de volksgezondheid verband houdend dwingend vereiste van algemeen belang vormen die een bovengenoemde beperking van de vrijheid van dienstverrichting kan rechtvaardigen.
Het op algemene en absolute wijze aan gezondheidswerkers verbieden van het gebruik van elke vorm van reclame ter promotie van hun zorgactiviteiten gaat echter verder dan wat noodzakelijk is om de volksgezondheid en de waardigheid van een gereglementeerd beroep te beschermen. Het onderhavig opgestelde nationale verbod is daarom niet gerechtvaardigd volgens het EU-Hof.
Verbod op reclameaanbiedingen die inhouden dat er bij
overschrijding van een bepaald bedrag een korting wordt toegekend op
de totale prijs van de bestelde geneesmiddelen
Een
dergelijk verbod beperkt volgens het EU-Hof de mogelijkheid voor een
in een andere lidstaat gevestigde apotheek om in die eerste lidstaat
woonachtige potentiële klanten aan te trekken en de aldaar
aangeboden onlineverkoopdienst voor receptvrije geneesmiddelen
aantrekkelijker te maken. Een rechtvaardiging uit hoofde van artikel
3, lid 4 van richtlijn
2000/31 is volgens het EU-Hof in principe mogelijk aangezien het
onderhavige verbod bedoeld is om overmatig of oneigenlijk gebruik van
geneesmiddelen te voorkomen. Een dergelijke doelstelling draagt bij
tot de verwezenlijking van een hoog niveau van bescherming van de
volksgezondheid (zie hierover ook gevoegde zaken C-171/07
en C 172/07).
Het in zaak C-649/18 aan de orde zijnde nationale verbod op reclameaanbiedingen is volgens het EU-Hof geschikt om de doelstelling van de bescherming van de volksgezondheid te bereiken, aangezien het niet verbieden van reclameaanbiedingen betrokkenen ertoe kan aanzetten om geneesmiddelen te kopen en er in voorkomend geval overmatig gebruik van te maken.
Een dergelijk verbod blijft echter alleen beperkt tot hetgeen noodzakelijk is wanneer het verbod voldoende is afgebakend en uitsluitend betrekking heeft op geneesmiddelen en niet op zuiver para farmaceutische producten.
Verplichting om in het onlinebestelproces voor geneesmiddelen
een gezondheidsvragenlijst op te nemen
De nationale
regeling waarin een verplichting is opgenomen om in het
onlinebestelproces voor geneesmiddelen een gezondheidsvragenlijst op
te nemen valt volgens het EU-Hof onder richtlijn
2000/31. Door de betrokken regeling wordt de validatie van de
eerste bestelling geneesmiddelen van een patiënt op de website van een
apotheek afhankelijk gesteld van het vooraf invullen van een
gezondheidsvragenlijst. De in het hoofdgeding aan de orde zijnde
nationale maatregel regelt de voorwaarden waaronder een overeenkomst
voor de onlineverkoop van receptvrije geneesmiddelen kan worden
gesloten alsook de wijze waarop de apotheker zijn activiteiten inzake
verkoop en advies online dient uit te oefenen. De betreffende
maatregel vormt volgens het EU-Hof een beperking op het vrije verkeer
van diensten van de informatiemaatschappij omdat zij een duidelijk
afschrikkend effect heeft op patiënten die online geneesmiddelen
wensen te kopen.
Een dergelijke regeling is volgens het EU-Hof echter gerechtvaardigd omdat zij ertoe strekt de volksgezondheid als bedoeld in artikel 3, lid 4, onder a van richtlijn 2000/31 te beschermen. De regeling is geschikt om het doel te bereiken, omdat de apotheker de patiënt niet op eigen initiatief advies kan verlenen. De vragenlijst stelt de apotheker in staat om de betrokken patiënt beter te leren kennen en via de opsporing van mogelijke contra-indicaties te zorgen voor de meest geschikte verstrekking van geneesmiddelen.
Een dergelijke regeling gaat volgens het EU-Hof ook niet verder dan noodzakelijk. Een vergroting van interactieve elementen die een klant op internet moet doorlopen voordat hij tot online aanschaf van geneesmiddelen over kan gaan vormt een aanvaardbare maatregel die het vrije verkeer van goederen minder aantast dan een verbod op de onlineverkoop van geneesmiddelen. De regeling is volgens het EU-Hof ook even doeltreffend voor de verwezenlijking van de doelstelling om het risico op misbruik van online gekochte geneesmiddelen te verminderen (zie hierover ook zaak C-322/01).
Verbod om gebruik te maken van gesponsorde links in
zoekmachines en prijsvergelijkers
Tot slot behandelt
het EU-Hof in zaak
C-649/18 de vraag of richtlijn
2000/31 zich ertegen verzet dat een lidstaat van bestemming van
een onlineverkoopdienst voor receptvrije geneesmiddelen, op een in een
andere lidstaat gevestigde verlener van deze dienst, een nationale
regeling toepast waarbij aan apotheken die dergelijke geneesmiddelen
verkopen, een verbod wordt opgelegd om gebruik te maken van
gesponsorde links in zoekmachines en prijsvergelijkers. Volgens het
EU-Hof kan een dergelijk verbod de mogelijkheden beperken voor een
apotheek om zich bij potentiële klanten in een andere lidstaat kenbaar
te maken en om de op die klanten gerichte onlineverkoopdienst te
promoten. Een dergelijke regeling vormt volgens het EU-Hof een
beperking op het vrij verrichten van diensten van de informatiemaatschappij.
Het onderhavige verbod kan volgens het EU-Hof in beginsel worden gerechtvaardigd door de doelstelling om een veilig en kwalitatief hoogstaande geneesmiddelenvoorziening op het nationale grondgebied te waarborgen, aangezien deze doelstelling bijdraagt aan de bescherming van de gezondheid en het leven van personen (zie hierover ook zaak C 222/18).
Richtlijn 2004/38: volksgezondheid en het individuele vrije personenverkeer
De omstandigheden waaronder de bescherming van de volksgezondheid een rechtvaardiging vormt voor een beperking van het vrije personenverkeer zijn te vinden in artikel 29, lid 1 van richtlijn 2004/38. Volgens deze bepaling zijn dergelijke beperkingen alleen toegestaan bij potentiële epidemische ziekten zoals gedefinieerd door de Wereldgezondheidsorganisatie, andere infectieziekten of besmettelijke parasitaire ziekten. Een voorwaarde om deze uitzonderingsgrond te kunnen inroepen is dat het gastland ook beschermende regelingen treft tegenover de eigen onderdanen. Dit houdt in dat ook voor eigen burgers zekere beperkingen moeten gelden ter bescherming van de volksgezondheid (o.a. quarantaine, thuisisolatie).
Wanneer aan de voorwaarden van artikel 29, lid 1, richtlijn 2004/38 is voldaan betekent dat nog niet dat EU-burgers in alle gevallen mogen worden teruggestuurd naar hun lidstaat van herkomst. Een persoon mag niet vanwege een ziekte worden teruggestuurd naar zijn lidstaat van herkomst wanneer de ziekte later dan drie maanden na binnenkomst optreedt (artikel 29, lid 2, richtlijn 2004/38).
Een lidstaat mag iemand binnen drie maanden na binnenkomst aan een medisch onderzoek onderwerpen wanneer ernstige aanwijzingen daartoe reden geven. Het medische onderzoek moet kosteloos zijn en mag geen systematisch karakter hebben (artikel 29, lid 3, richtlijn 2004/38).
Bescherming van de volksgezondheid en derdelanders
In tegenstelling tot EU-burgers hebben onderdanen van derde landen slechts een beperkt recht van vrij verkeer binnen de EU. Verordening 810/2009 stelt een gemeenschappelijke Visumcode vast (zie het ECER-dossier hierover). Deze verordening legt de voorwaarden en procedures vast voor visa voor korte verblijven - ten hoogste 90 dagen binnen een periode van 180 dagen - op het grondgebied van de EU. Ook aan dit beperkte recht kunnen beperkingen worden gesteld ter bescherming van de volksgezondheid. Deze mogelijkheid is geregeld in artikel 32 van de Visumcode en artikel 2, lid 21, artikel 6, lid 1, onder e en artikel 8, lid 2, derde alinea van de Schengengrenscode.
Covid 19-pandemie: uitzonderingen op het vrij personenverkeer
Tijdens de Covid-19-pandemie hebben verschillende lidstaten hun grenzen helemaal of gedeeltelijk gesloten voor personenverkeer uit andere lidstaten. Deze maatregelen werden ingevoerd met het oog op besmettingsgevaar en de beperkte ziekenhuiscapaciteit.
De lidstaten hebben op grond van artikel 25 van de Schengengrenscode de bevoegdheid om hun grenzen te sluiten. De tijdelijke herinvoering van grenscontroles aan de binnengrenzen is toegestaan wanneer dit gerechtvaardigd is om redenen van openbare orde of binnenlandse veiligheid. In een uiterst kritieke situatie kan een lidstaat constateren dat het nodig is om opnieuw grenscontroles in te voeren als reactie op het risico van een besmettelijke ziekte. De lidstaten moeten melding maken van de herinvoering van het grenstoezicht overeenkomstig de Schengengrenscode.
- Covid-19-Richtsnoeren van de Commissie voor grensbeheermaatregelen tot bescherming van de gezondheid en tot waarborging van de beschikbaarheid van goederen en essentiële diensten
Vanwege de beperkte bevoegdheden van de EU op het gebied van de volksgezondheid heeft de EU bij de Covid-19-pandemie slechts een coördinerende rol gespeeld. In haar coördinerende rol heeft de Commissie een aantal richtsnoeren aangenomen om de maatregelen tegen Covid-19 die aan het vrije personenverkeer raken tussen de lidstaten te coördineren. Desondanks verschilden de grensmaatregelen per lidstaat aanzienlijk.
- Richtsnoeren van de Commissie betreffende de uitoefening van het recht op vrij verkeer van werknemers tijdens de uitbraak van Covid-19