Vestiging: inleiding en inhoudsopgave

Op deze pagina:

Inleiding

Het EU-Werkingsverdrag voorziet in mogelijkheden voor zelfstandigen om op een tijdelijke of een permante basis hun beroep uit te kunnen oefenen in een andere lidstaat. Als de beroepsuitoefening in een andere lidstaat van tijdelijke aard is zijn de bepalingen van het vrij verkeer van diensten (artikel 56 EU-Werkingsverdrag) van toepassing. De uitoefening van een beroep in een andere lidstaat met een permanent karakter wordt mogelijk gemaakt door de vrijheid van vestiging (artikel 49 EU-Werkingsverdrag) (zie het ECER-dossier over het begrip zelfstandige voor meer informatie over dit onderscheid).

Een natuurlijk persoon - zelfstandige - heeft het recht om toegang te krijgen tot de werkzaamheden in de lidstaat van ontvangst. Eigen onderdanen en onderdanen van andere lidstaten moeten gelijk worden behandeld (zie het ECER-dossier over de toegang tot werkzaamheden). Het verbod op discriminatie geldt ook ten aanzien van de uitoefening van de werkzaamheden in de lidstaat van ontvangst. Onderdanen van andere lidstaten dienen onder meer gelijk behandeld te worden ten aanzien van sociale en fiscale voordelen (zie het ECER-dossier over de uitoefening van werkzaamheden).

Gezien de samenhang tussen het vrij verkeer van diensten en de vrijheid van vestiging is veel EU-wetgeving op beide terreinen van toepassing. Artikel 62 EU-Werkingsverdrag verklaart veel wetgeving op het terrein van de vrijheid van vestiging van overeenkomstige toepassing op het vrij verkeer van diensten. In dit kader zijn onder meer regels tot stand gekomen over de erkenning van beroepskwalificaties (zie het ECER-dossier hierover) en het verrichten van diensten in het algemeen ("Dienstenrichtlijn") (zie het ECER-dossier hierover).

De vrijheid van vestiging ziet niet alleen op natuurlijke personen, maar ook op rechtspersonen (ondernemingen). De vrijheid van vestiging van ondernemingen heeft enerzijds tot doel om belemmeringen weg te nemen en anderzijds om bepaalde betrokkenen bij een onderneming passende bescherming te bieden (zie het ECER-dossier over de vrijheid van vestiging van rechtspersonen).

Naar boven

Inhoudsopgave

Naar boven