Erkenning van beroepskwalificaties

Erkenning van beroepskwalificaties

Op deze pagina:

Inleiding

Artikel 53, lid 1, EU-Werkingsverdrag bepaalt dat de EU richtlijnen kan vaststellen die de onderlinge erkenning van diploma's, certificaten en andere titels regelen.  Richtlijn 2005/36 is een voorbeeld van zo'n richtlijn en ziet op de erkenning van beroepskwalificaties.

Algemene bepalingen

Richtlijn 2005/36 heeft betrekking op alle onderdanen van de lidstaten. Het gaat om personen die in een andere lidstaat dan die waar zij hun beroepskwalificaties hebben verworven een gereglementeerd beroep willen uitoefenen (artikel 2, lid 1, richtlijn 2005/36). Een gereglementeerd beroep is een beroepswerkzaamheid waarvan de uitoefening of één van de wijzen van uitoefening afhankelijk is gesteld van het bezit van bepaalde beroepskwalificaties (artikel 3, lid 1, onder a, richtlijn 2005/36).

Beroepskwalificaties zijn kwalificaties die worden gestaafd door een opleidingstitel, een bekwaamheidsattest en/of beroepservaring (artikel 3, lid 1, onder b, richtlijn 2005/36). De lidstaat van ontvangst moet in beginsel de beroepskwalificaties die in een andere lidstaat of lidstaten zijn verworven erkennen (artikel 1, richtlijn 2005/36). De erkenning heeft tot gevolg dat de begunstigde toegang krijgt tot hetzelfde beroep als waarvoor hij in de lidstaat van oorsprong de kwalificaties bezit. Ook kan de begunstigde het beroep onder dezelfde voorwaarden als eigen onderdanen in de lidstaat van ontvangst uitoefenen (artikel 4, lid 1, richtlijn 2005/36).

Richtlijn 2005/36 maakt een onderscheid tussen het tijdelijk verrichten van diensten en het permanent vestigen in de lidstaat van ontvangst.

Naar boven

Vrij verkeer van diensten

Elke dienstverrichter die in een lidstaat op wettige wijze een beroep mag uitoefenen moet dit beroep ook kunnen uitoefenen in een andere lidstaat. De lidstaat van ontvangst mag in beginsel geen beperkingen stellen aan het vrij verrichten van diensten (artikel 5, lid 1, aanhef en onder a, richtlijn 2005/36). Voorwaarde is wel dat het beroep tijdelijk en incidenteel in de lidstaat van ontvangst wordt uitgeoefend. Het tijdelijke en incidentele karakter wordt per geval beoordeeld, waarbij rekening wordt gehouden met de duur, de frequentie, de regelmaat en de continuïteit van de dienstverrichting (artikel 5, lid 2, richtlijn 2005/36). 

Indien dienstverleners zich echter buiten hun lidstaat van vestiging verplaatsen om diensten te verrichten, moeten zij ook het bewijs leveren van twee jaar beroepservaring als het betrokken beroep in de lidstaat van vestiging niet gereglementeerd is. Daarentegen kan de twee jaar beroepervaring niet worden geëist indien het beroep in de lidstaat van vestiging gereglementeerd is (artikel 5, lid 1, onder b, richtlijn 2005/36).

Wanneer een dienstverrichter voor het eerst van de ene naar de andere lidstaat reist om aldaar diensten te gaan verrichten, kunnen de bevoegde autoriteiten van de dienstverrichter verlangen dat een schriftelijke verklaring wordt afgelegd. In deze schriftelijke verklaring moeten gegevens worden opgenomen over de verzekeringsdekking of soortgelijke individuele of collectieve vormen van bescherming inzake beroepsaansprakelijkheid. Tevens mag een ontvangende lidstaat verlangen dat bepaalde documenten worden aangeleverd, waaronder een bewijs van de nationaliteit en een bewijs van de beroepskwalificaties (artikel 7, leden 1 en 2, richtlijn 2005/36).

Naar boven

Vrijheid van vestiging

Richtlijn 2005/36 voorziet ook in voorschriften die het mogelijk moeten maken voor een onderdaan van een lidstaat om permanent een beroep in een andere lidstaat uit te kunnen oefenen. Om een beroep te kunnen uitoefenen moeten de de beroepskwalificaties worden erkend. De richtlijn maakt een onderscheid tussen drie verschillende systemen van erkenning. Een systeem van automatische erkenning voor specifiek in de richtlijn opgenomen beroepen, een systeem van automatische erkenning van beroepservaring en een algemeen systeem. Het algemene systeem is slechts van toepassing indien de andere systemen niet van toepassing zijn.

Naar boven

Algemeen systeem van erkenning van beroepskwalificaties

Voorwaarden

De hoofdregels van het algemene systeem zijn neergelegd in artikel 13 van richtlijn 2005/36. Artikel 13 van richtlijn 2005/36 maakt een onderscheid tussen twee situaties. Ten eerste de situatie dat de toegang tot en de uitoefening van een gereglementeerd beroep zowel in de lidstaat van oorsprong als de lidstaat van ontvangst aan voorwaarden is verbonden (artikel 13, lid 1, richtlijn 2005/36). De lidstaat van ontvangst moet onderdanen van andere lidstaten toestaan om het gereglementeerde beroep uit te oefenen, onder voorwaarde dat de aanvrager in het bezit is van een bekwaamheidsattest of een opleidingstitel.

Ten tweede de situatie dat het beroep in de lidstaat van oorsprong niet is gereglementeerd, maar wel in de lidstaat van ontvangst (artikel 13, lid 2, richtlijn 2005/36). De uitoefening van het gereglementeerde beroep in de lidstaat van ontvangst moet worden toegestaan indien de aanvrager het beroep tijdens de voorafgaande tien jaar gedurende twee jaar voltijds heeft uitgeoefend in een andere lidstaat waar dat beroep niet is gereglementeerd. Ook in dit geval dient de aanvrager in het bezit te zijn van een bekwaamheidsattest of een opleidingstitel.

Een bekwaamheidsattest of een opleidingstitel moet worden afgegeven door een bevoegde autoriteit in de lidstaat van oorsprong. Tevens moet het bekwaamheidsattest of de opleidingstitel blijk geven van een beroepskwalificatieniveau dat tenminste gelijkwaardig is aan het niveau onmiddelijk voorafgaand aan het door de lidstaat van ontvangst vereiste niveau. In artikel 11 van richtlijn 2005/36 wordt een indeling gegeven van de beroepskwalificaties in verschillende niveau's. Met betrekking tot de situatie dat het beroep in de lidstaat van oorsprong niet gereguleerd is, geldt nog de verplichting voor de aanvrager om aan te tonen dat hij voorbereid is om het betrokken beroep uit te oefenen (artikel 13, lid 2, tweede alinea, onder c, richtlijn 2005/36)

Naar boven

Compenserende maatregelen

Artikel 14 van richtlijn 2005/36 bepaalt dat de lidstaat van ontvangst in nader omschreven gevallen van een aanvrager kan verlangen dat hij een aanpassingsstage van ten hoogste drie jaar doorloopt of een proeve van bekwaamheid aflegt. Het gaat om de situatie dat de opleiding in de lidstaat van oorsprong tenminste één jaar korter duurt dan de opleiding in de lidstaat van ontvangst. Daarnaast kan het gaan om de situatie dat de vakken in de opleiding van de lidstaat van oorsprong wezenlijk verschillen van de vakken in de opleiding van de lidstaat van ontvangst. Tenslotte de situatie waarin het gereglementeerde beroep bepaalde beroepswerkzaamheden in de lidstaat van ontvangst omvat die niet bestaan bij het overeenkomstige beroep in de lidstaat van oorsprong (artikel 14, lid 1, aanhef en onder a-c, richtlijn 2005/36).

De lidstaat moet de aanvrager in beginsel de keuze laten tussen een aanpassingsstage of een proeve van bekwaamheid (artikel 14, lid 2, eerste volzin, richtlijn 2005/36). Op deze keuzevrijheid zijn echter uitzonderingen opgenomen in artikel 14, lid 3 van richtlijn 2005/36.

Om de verschillen tussen de lidstaten te ondervangen en te voorkomen dat aanvragers moeten voldoen aan compenserende maatregelen kunnen de lidstaten gemeenschappelijke platforms oprichten. Een gemeenschappelijk platform geeft een reeks criteria voor de beroepskwalificaties die voor een bepaald beroep worden vereist (artikel 15 van richtlijn 2005/36). Initiatieven voor gemeenschappelijke platforms moeten aan de Europese Commissie worden voorgelegd. De Commissie kan een ontwerpmaatregel opstellen en deze maatregel wordt vervolgens aangenomen volgens de procedure van artikel 58, lid 2 van richtlijn 2005/36.

Naar boven

Systeem van automatische erkenning van beroepservaring

Dit systeem heeft betrekking op de industriële, ambachtelijke en commerciële activiteiten die zijn opgenomen in bijlage IV bij richtlijn 2005/36. De lidstaat van ontvangst kan de toegang tot en de uitoefening van één van de in bijlage IV vermelde werkzaamheden afhankelijk stellen van het bezit van algemene kennis, handels-, vakkennis of -bekwaamheid. De lidstaat van ontvangst moet het feit dat de onderdaan van een andere lidstaat deze werkzaamheid voorafgaand aan zijn vertrek naar de lidstaat van ontvangst heeft uitgeoefend in de lidstaat van vertrek, als voldoende bewijs beschouwen dat de onderdaan van een andere lidstaat over de vereiste kennis of bekwaamheid beschikt (artikel 16, eerste volzin, richtlijn 2005/36).

Artikel 16, tweede volzin, richtlijn 2005/36 vereist wel dat de werkzaamheden in de lidstaat van oorsprong overeenkomstig de eisen van de artikelen 17, 18 en 19 zijn uitgeoefend. De eisen van artikel 17 van richtlijn 2005/36 gelden voor de werkzaamheden die in lijst I bij bijlage IV van richtlijn 2005/36 worden genoemd. Daarnaast gelden de eisen van artikel 18 van richtlijn 2005/36 voor de werkzaamheden die in lijst II bij bijlage IV van richtlijn 2005/36 worden genoemd. Tenslotte zijn de eisen van artikel 19 van richtlijn 2005/36 van toepassing op de werkzaamheden die in lijst III bij bijlage IV van richtlijn 2005/36 zijn beschreven.

Naar boven

Systeem van automatische erkenning van kwalificaties voor specifieke beroepen

Dit systeem gaat uit van de automatische erkenning van opleidingstitels van specifieke beroepen die voldoen aan de minimumopleidingseisen die in richtlijn 2005/36 zijn neergelegd. Richtlijn 2005/36 geeft minimumopleidingseisen voor artsen met een basisopleiding (artikel 24), medische specialisten (artikel 25), huisartsen (artikel 28), verantwoordelijke algemene ziekenverplegers (artikel 31), beoefenaren van tandheelkunde (artikelen 34), specialisten in de tandheelkunde (artikel 35) dierenartsen (artikel 38), verloskundigen (artikelen 40 en 41), apothekers (artikel 44) en architecten (artikel 46).

De opleiding voor deze specifieke beroepen kan ook in deeltijd worden afgerond, mits de opleiding qua totale duur, niveau en kwaliteit niet onderdoet voor een voltijdse opleiding. Ook moeten de lidstaten verzekeren dat personen die hun opleiding hebben voltooid op de hoogte blijven van de vooruitgang op hun vakgebied. Dit kan onder meer door middel van bij- en nascholing (artikel 22 van richtlijn 2005/36).

In bijlage V van richtlijn 2005/36 zijn voor elke lidstaat de opleidingstitels opgenomen die als een opleidingstitel voor een specifiek beroep in de zin van artikel 21 van richtlijn 2005/36 gelden.

Naar boven