Tijdelijke verblijfsrechten

Banner - Tijdelijke verblijfsrechten

© Marcel van den Bergh

Navigatiemenu

Tijdelijke verblijfsrechten

Op deze pagina:

Inleiding

Richtlijn 2004/38 maakt bij het tijdelijke verblijfsrecht een onderscheid tussen een verblijfsrecht voor maximaal drie maanden en een verblijfsrecht voor meer dan drie maanden. Op beide verblijfsrechten wordt hieronder ingegaan. 

Naar boven

Verblijfsrecht voor maximaal drie maanden

EU-burgers

Krachtens artikel 6, lid 1 van richtlijn 2004/38 hebben EU-burgers het recht om gedurende maximaal drie maanden op het grondgebied van een andere lidstaat te verblijven zonder andere voorwaarden of formaliteiten dan de verplichting in het bezit te zijn van een geldige identiteitskaart of een geldig paspoort.

Hoewel in artikel 6 van richtlijn 2004/38 geen enkele voorwaarde wordt gesteld die verband houdt met de financiële middelen van EU-burgers, behouden zij het verblijfsrecht volgens artikel 14, lid 1 van richtlijn 2004/38 slechts zolang zij geen onredelijke belasting voor het socialebijstandsstelsel van die lidstaat vormen (C-424 en 425/10, Ziolkowski, punt 39). Deze regel is in overeenstemming met artikel 24, lid 2 van richtlijn 2004/38, op grond waarvan de gastlidstaat gedurende de eerste drie maanden van verblijf niet verplicht is om een recht op sociale bijstand toe te kennen (C-333/13, Dano, punt 70). Aangezien een lidstaat van EU-burgers voor een verblijf van maximaal drie maanden geen aanvullende voorwaarden - zoals de voorwaarden om over voldoende bestaansmiddelen en een persoonlijke ziektekostenverzekering te beschikken - mag stellen, is het gerechtvaardigd om deze lidstaten niet te verplichten gedurende deze periode de zorg voor deze burgers op zich te nemen (C-299/14, Garcia-Nieto, punt 45). 

Een beroep van een EU-burger of zijn familieleden op het socialebijstandsstelsel van een gastlidstaat mag echter niet automatisch leiden tot een verwijderingsmaatregel (artikel 14, lid 3, richtlijn 2004/38). De gastlidstaat hoeft echter niet in het kader van een individueel onderzoek te onderzoeken of de EU-burger het socialezekerheidsstelsel van de gastlidstaat onredelijk belast (C-299/14, Garcia-Nieto, punt 46 en 48). 

  • ECER-bericht: EU-burgers geen recht op bijstand bij kort verblijf in andere EU-lidstaat (26 februari 2016)

De gastlidstaat kan een EU-burger met een verblijfsrecht voor maximaal drie maanden niet verplichten om zich bij de bevoegde autoriteiten te laten inschrijven (artikel 8, leden 1 en 2, richtlijn 2004/38). Daarentegen heeft de gastlidstaat wel het recht om EU-burgers te verplichten een bewijs van hun nationaliteit en identiteit te overleggen, mits een dergelijke verplichting ook rust op eigen onderdanen wat hun identiteitskaart betreft (C-215/03, Oulane, punten 21 en 35). De gastlidstaat mag een EU-burger het verblijfsrecht voor maximaal drie maanden echter niet ontzeggen op de enkele grond dat die EU-burger geen identiteitskaart of paspoort kan overleggen, met name wanneer de betrokkene zijn identiteit ondubbelzinnig kan aantonen met andere middelen (C-215/03, Oulane, punten 24 en 25). 

Naar boven

Familieleden van een EU-burger

Ook familieleden van een EU-burger - die niet de nationaliteit van een EU-lidstaat bezitten - hebben het recht om voor maximaal drie maanden in de gastlidstaat te verblijven. Het familielid moet de EU-burger wel begeleiden naar of zich bij hem voegen in de gastlidstaat (artikel 6, lid 2, richtlijn 2004/38). Daarnaast moet ook het familielid in het bezit zijn van een geldig paspoort. 

Naar boven

Verblijfsrecht voor meer dan drie maanden

Voorwaarden

Een EU-burger heeft tevens het recht om gedurende meer dan drie maanden in een andere lidstaat te verblijven indien hij voldoet aan één van de voorwaarden uit artikel 7, lid 1, onder a tot en met c van richtlijn 2004/38. Deze voorwaarden houden in wezen in dat de EU-burger a) in het gastland werknemer of zelfstandige is, b) voor zichzelf en voor zijn familieleden beschikt over voldoende bestaansmiddelen en over een verzekering die de ziektekosten in dat land volledig dekt of c) student is en over voldoende bestaansmiddelen beschikt en tevens over een verzekering beschikt die zijn zorgkosten volledig dekt. Artikel 7, lid 1, onder d van richtlijn 2004/38 voorziet in een (afgeleid) verblijfsrecht voor familieleden van een EU-burger die aan de in vorige zin bedoelde voorwaarden voldoet. Het familielid moet de EU-burger wel begeleiden naar of zich bij de EU-burger voegen in de gastlidstaat. 

Artikel 7, lid 1 van richtlijn 2004/38 maakt een onderscheid tussen met name de situatie van economisch actieve EU-burgers (sub a) en de situatie van economisch niet-actieve EU-burgers en studenten (sub b en c). Deze bepaling maakt in het geval van de eerste situatie - economisch actieve EU-burgers (sub a) - geen onderscheid tussen EU-burgers die in de gastlidstaat een activiteit in loondienst uitoefenen (werknemer) en EU-burgers die in het gastland een zelfstandige activiteit uitoefenen (zelfstandigen) (C-442/16, Gusa, punt 36). 

Hieronder worden de voorwaarden uiteengezet om in aanmerking te kunnen komen voor een verblijfsrecht voor meer dan drie maanden. EU-burgers en familieleden behouden dit verblijfsrecht zolang zij blijven voldoen aan de voorwaarden die hieronder worden uitgewerkt (artikel 14, lid 2, eerste alinea, richtlijn 2004/38). In gevallen van specifieke twijfel over de vraag of een EU-burger of zijn familieleden wel voldoen aan de voorwaarden voor een verblijfsrecht van meer dan drie maanden, mag de gastlidstaat de voorwaarden verifi ëren. Deze verificatie mag echter geen stelselmatig karakter hebben (artikel 14, lid 2, tweede alinea, richtlijn 2004/38). 

Naar boven

Werknemer of zelfstandige (sub a)

Inleiding

Artikel 7, lid 1, sub a van richtlijn 2004/38 bepaalt dat iedere EU-burger het recht heeft gedurende meer dan drie maanden te verblijven op het grondgebied van een andere EU-lidstaat dan die waarvan hij de nationaliteit bezit indien hij in de gastlidstaat werknemer of zelfstandige is. De begrippen 'werknemer' en 'zelfstandige' zijn autonome EU-rechtelijke begrippen en worden niet op grond van het nationaal recht uitgelegd.

Een werknemer is iedere onderdaan van een EU-lidstaat die gedurende een bepaalde tijd voor een ander en onder diens gezag prestaties levert en als tegenprestatie een vergoeding ontvangt (zie het ECER-dossier over het begrip werknemer). Een zelfstandige is een onderdaan van een EU-lidstaat die duurzaam ('voor langere tijd') deelneemt aan het economische leven van een andere EU-lidstaat en daar voordeel uit haalt (zie het ECER-dossier over het begrip zelfstandige). Van belang is dat een zelfstandige - in tegenstelling tot een werknemer - niet onder het gezag van iemand anders staat. 

Naar boven

Behoud van de status van 'werknemer' of 'zelfstandige'

In bepaalde gevallen kan een EU-burger - die niet langer werknemer of zelfstandige is - toch zijn status van werknemer of zelfstandige behouden wanneer hij onvrijwillig werkloos is (artikel 7, lid 3, richtlijn 2004/38). Hieronder zal nader op deze gevallen in worden gegaan. De gevallen die in artikel 7, lid 3 van richtlijn 2004/38 worden genoemd zijn niet uitputtend bedoeld (C-507/12, Saint Prix, punt 38). De voorwaarden voor het behoud van deze status bij onvrijwillige werkloosheid zijn dat de EU-burger beschikbaar is voor werk en binnen een redelijk tijdsbestek weer kan deelnemen aan de arbeidsmarkt van de gastlidstaat (C-618/16, Prefeta, punt 37).

Gevallen

In artikel 7, lid 3 van richtlijn 2004/38 wordt een onderscheid gemaakt tussen de volgende gevallen:

  • de werknemer of zelfstandige is tijdelijk arbeidsongeschikt vanwege een ziekte of een ongeval (sub a);
  • de werknemer of zelfstandige bevindt zich, na ten minste één jaar te hebben gewerkt, in een na behoren vastgestelde onvrijwillige werkloosheid en heeft zich als werkzoekende ingeschreven bij de bevoegde dienst voor arbeidsvoorziening (sub b); 

Het begrip 'onvrijwillige werkloosheid' kan zowel verwijzen naar een toestand van inactiviteit als gevolg van het verlies van een baan in loondienst als een toestand van beëindiging van een beroepsactiviteit - al dan niet in loondienst - wegens een gebrek aan werk buiten de wil van de betrokkene om, zoals een economische recessie. Artikel 7, lid 3, sub b van richtlijn 2004/38 is dus zowel van toepassing op EU-burgers die een activiteit in loondienst verrichten ('werknemer') als EU-burgers die een zelfstandige activiteit verrichten ('zelfstandige') (C-442/15, Gusa, punten 29-31). 

  • de werknemer of zelfstandige bevindt zich in een na behoren vastgestelde onvrijwillige werkloosheid na afloop van een tijdelijke arbeidsovereenkomst voor minder dan één jaar of hij is in de eerste twaalf maanden onvrijwillig werkloos geworden en heeft zich als werkzoekende ingeschreven bij de bevoegde dienst voor arbeidsvoorziening. In dit geval blijft de status van werknemer ten minste zes maanden behouden (sub c); 

Artikel 7, lid 3, sub c van richtlijn 2004/38 is zowel van toepassing op EU-burgers die een activiteit in loondienst verrichten ('werknemer') als EU-burgers die een zelfstandige activiteit verrichten ('zelfstandige') (C-483/17, Tarola, punt 39). Tijdens de periode van zes maanden waarin de EU-burger zijn status als werknemer behoudt heeft hij recht op sociale bijstand (C-22/08 en 23/08, Vatsouras en Koupatantze, punt 32). Na de periode van zes maanden kan het gastland zonder individueel onderzoek dergelijke sociale bijstand weigeren (C-67/14, Alimanovic)

  • de werknemer of zelfstandige start met een beroepsopleiding. Behalve in het geval van onvrijwillige werkloosheid is voor het behoud van de status van werknemer in dit geval een verband vereist tussen de voorafgaande beroepsactiviteit en de beroepsopleiding (sub d). 

Naar boven

Formaliteiten

De gastlidstaat kan werknemers en zelfstandigen verplichten om zich bij de bevoegde autoriteiten te laten inschrijven. In dit kader mag een gastlidstaat slechts verlangen dat de EU-burger - die werknemer of zelfstandige is - een geldig paspoort of geldige identiteitskaart overlegt. Daarnaast moet de EU-burger een verklaring van indienstneming of tewerkstelling overleggen of een bewijs dat hij zelfstandige is overhandigen (artikel 8, leden 1 en 3, richtlijn 2004/38). Niet-naleving van de verplichting tot inschrijving kan worden bestraft met evenredige en niet-discriminerende sancties (artikel 8, lid 2, richtlijn 2004/38). 

Aan familieleden van een werknemer of zelfstandige - die zelf ook EU-burger zijn - kunnen  bepaalde verplichtingen worden opgelegd. Een gastlidstaat kan bijvoorbeeld eisen dat een document wordt overlegd waaruit het verwantschap tussen de werknemer/zelfstandige en het familielid blijkt (zie voor verdere formaliteiten artikel 8, lid 5, richtlijn 2004/38).

Naar boven

Verwijdering uit de gastlidstaat

In beginsel mag een EU-lidstaat geen verwijderingsmaatregelen vaststellen tegen EU-burgers en hun familieleden wanneer de EU-burger werknemer of zelfstandige is (artikel 14, lid 4, aanhef en onder a, richtlijn 2004/38) . Dit is slechts anders wanneer het verblijfsrecht van de EU-burger en zijn familieleden moet worden beperkt om redenen van openbare orde, openbare veiligheid en volksgezondheid (artikel 27 e.v., richtlijn 2004/38). 

Naar boven

Werkzoekenden

Een EU-burger die op het grondgebied van een gastlidstaat is binnengekomen om werk te zoeken moet de gelegenheid krijgen om werk te zoeken. Zolang een werkzoekende EU-burger aantoont dat hij nog immer werk zoekt en een re ële kans maakt om te worden aangesteld, mag een gastlidstaat die EU-burger niet verwijderen van het grondgebied (artikel 14, lid 4, onder b, richtlijn 2004/38). Gedurende de periode dat de EU-burger op zoek is naar werk is de gastlidstaat niet verplicht om een recht op sociale bijstand toe te kennen (artikel 24, lid 2, richtlijn 2004/38). De gastlidstaat hoeft in het kader van een werkzoekende EU-burger geen individueel onderzoek te verrichten of de werkzoekende een onredelijke belasting vormt voor het socialezekerheidsstelsel (C-67/14, Alimanovic, punt 59) . 

  • ECER-bericht: Geen bijstand voor werkzoekende EU-burgers (16 september 2015)

In de zaak C-710/19 heeft het EU-Hof het recht van EU-burgers om werk te zoeken in de gastlidstaat nader verduidelijkt. Gedurende de eerste drie maanden na binnenkomst in de gastlidstaat hoeft de werkzoekende EU-burger slechts in het bezit te zijn van een geldig identiteitsbewijs. In de drie maanden die daarop volgen moet de werkzoekende EU-burger aantonen dat hij nog immer werk zoekt. Na het verstrijken van een redelijke termijn van zes maanden na binnenkomst in de gastlidstaat moet de werkzoekende EU-burger niet enkel bewijzen dat hij nog immer werk zoekt, maar ook dat hij een re ële kans maakt om te worden aangesteld. 

  • ECER-bericht: EU-Hof verduidelijkt de verplichtingen van werkzoekende EU-burgers in de gastlidstaat (8 januari 2021)

Naar boven

Economisch niet-actieve EU-burgers (sub b)

Inleiding

Artikel 7, lid 1, sub b van richtlijn 2004/38 bepaalt dat iedere EU-burger het recht heeft om meer dan drie maanden te verblijven op het grondgebied van een andere EU-lidstaat indien hij voor zichzelf en voor zijn familieleden over voldoende bestaansmiddelen beschikt om te voorkomen dat zij tijdens hun verblijf ten laste komen van het socialebijstandsstelsel van de gastlidstaat, en hij over een verzekering beschikt die de ziektekosten in het gastland volledig dekt. 

De gastlidstaat kan een verwijderingsmaatregel tegen de EU-burger vaststellen wanneer hij niet meer voldoet aan de voorwaarden van artikel 7, lid 1, sub b van richtlijn 2004/38 (C-94/18, Chenchooliah, punt 74). Een verwijderingsmaatregel kan onder meer worden vastgesteld wanneer de EU-burger voor zichzelf en voor zijn familieleden over onvoldoende bestaansmiddelen beschikt en tijdens zijn verblijf ten laste komt van het socialebijstandsstelsel van de gastlidstaat. Een beroep van een dergelijke EU-burger of zijn familieleden op het socialebijstandsstelsel van een gastlidstaat mag echter niet automatisch leiden tot een verwijderingsmaatregel (artikel 14, lid 3, richtlijn 2004/38). 

De voorwaarden uit artikel 7, lid 1, sub b van richtlijn 2004/38, namelijk het beschikken over voldoende bestaansmiddelen en een ziektekostenverzekering, moeten worden uitgelegd met inachtneming van onder andere het evenredigheidbeginsel (C-140/12, Brey, punt 70). De naleving van het evenredigheidsbeginsel impliceert dat de nationale maatregelen die worden genomen bij de toepassing van deze voorwaarden, geschikt en noodzakelijk moeten zijn voor de verwezenlijking van het beoogde doel. Het doel van de voorwaarden van artikel 7, lid 1, sub b van richtlijn 2004/38 is de bescherming van de overheidsfinanciën van de lidstaten (C-218/14, Singh, punt 75). 

Naar boven

Voorwaarde van voldoende bestaansmiddelen 

De EU-burger moet over voldoende bestaansmiddelen beschikken, maar het EU-recht stelt geen vereisten over de herkomst van die bestaansmiddelen (C-86/12, Alokpa, punt 27). De bestaansmiddelen van een minderjarige EU-burger kunnen bijvoorbeeld afkomstig zijn van een ouder die onderdaan is van een derde land (C-86/12, punt 27). Het is eveneens mogelijk dat deze bestaansmiddelen afkomstig zijn van een derdelander-ouder die in de gastlidstaat niet over een verblijfs- of arbeidsvergunning beschikt (C-93/18, Bajratari, punten 41-42). Ook kunnen de bestaansmiddelen van een EU-burger afkomstig zijn van de echtgenoot met de nationaliteit van een derde land, die zijn inkomsten verwerft uit een activiteit in de gastlidstaat (C-218/14, Singh, punt 76). 

De gastlidstaat mag niet het bedrag van de bestaansmiddelen vaststellen dat zij als toereikend beschouwt, maar moet rekening houden met de persoonlijke omstandigheden van de betrokkene. Het bedrag mag in ieder geval niet hoger zijn dan het minimumbedrag waaronder onderdanen van de gastlidstaat in aanmerking komen voor sociale bijstand (zie verder artikel 8, lid 4, richtlijn 2004/38). 

Naar boven

Onredelijke belasting voor het sociale bijstandsstelsel 

Het gegeven dat een economisch niet-actieve EU-burger uit een andere EU-lidstaat een socialebijstandsuitkering geniet (en dus onvoldoende bestaansmiddelen heeft), volstaat op zichzelf niet om aan te tonen dat die EU-burger een onredelijke belasting voor het socialebijstandsstelsel van de gastlidstaat vormt (C-140/12, Brey, punt 75). Om te kunnen uitmaken of de economisch niet-actieve EU-burger met een sociale uitkering een onredelijke belasting vormt voor het socialebijstandsstelsel moet de gastlidstaat nagaan of de (financi ële) problemen van betrokkene van tijdelijke aard zijn en dient rekening te worden gehouden met de duur van het verblijf, de persoonlijke omstandigheden en het bedrag van de al uitgekeerde steun (C-140/12, Brey, punt 69). Volgens het EU-Hof schrijft richtlijn 2004/38 namelijk een zekere financi ële solidariteit van de gastlidstaat met EU-burgers uit andere lidstaten voor, met name in het geval van tijdelijke moeilijkheden (C-140/12, Brey, punt 72). 

Een EU-burger - die toegang wil tot sociale uitkeringen in de gastlidstaat - kan zich er alleen op beroepen om gelijk te worden behandeld als een onderdaan van de gastlidstaat (artikel 18 EU-Werkingsverdrag) indien zijn verblijf op het grondgebied van de gastlidstaat voldoet aan de voorwaarden van richtlijn 2004/38 (C-333/13, Dano, punt 69). Het gaat daarbij onder meer om de voorwaarde dat de EU-burger over voldoende bestaansmiddelen beschikt. De gastlidstaat moet ten aanzien van elke EU-burger een concreet onderzoek van zijn economische situatie verrichten, zonder daarbij rekening te houden met de aangevraagde sociale uitkeringen, om te beoordelen of hij voldoet aan de voorwaarde dat hij over voldoende bestaansmiddelen beschikt (C-333/13, Dano, punt 80). Indien de EU-burger niet voldoet aan de voorwaarden om aanspraak te maken op een verblijfsrecht in de gastlidstaat (o.a. de voorwaarde van voldoende bestaansmiddelen) kunnen dergelijke economisch niet-actieve EU-burgers worden uitgesloten van de toekenning van sociale uitkeringen (C-333/13, Dano, punt 82). 

  • ECER-bericht: EU-Hof: geen uitkering voor economisch niet-actieven uit andere lidstaten (12 november 2014) 

Naar boven

Formaliteiten

De gastlidstaat kan economisch niet-actieve EU-burgers verplichten om zich bij de bevoegde autoriteiten te laten inschrijven (artikel 8, lid 1, richtlijn 2004/38). Voordat de autoriteiten een verklaring van inschrijving afgeven kunnen zij verlangen dat de economisch niet-actieve EU-burger een paspoort of ID-kaart overlegt en dat hij aantoont dat hij voldoet aan de voorwaarden van artikel 7, lid 1, onder b van richtlijn 2004/38 (de vereisten van voldoende bestaansmiddelen en een ziektekostenverzekering die alle kosten in de gastlidstaat volledig dekt) (artikel 8, lid 3, tweede streepje, richtlijn 2004/38).

Aan familieleden van een niet-economisch actieve EU-burger - die tevens EU-burger zijn - kunnen ook bepaalde verplichtingen worden opgelegd. Een gastlidstaat kan bijvoorbeeld eisen dat een document wordt overlegd waaruit het verwantschap tussen de niet-economisch actieve EU-burger en het familielid blijkt (zie voor verdere formaliteiten artikel 8, lid 5, richtlijn 2004/38). 

Naar boven

Studenten (sub c)

Artikel 7, lid 1, sub c van richtlijn 2004/38 bepaalt dat iedere EU-burger het recht heeft om meer dan drie maanden te verblijven op het grondgebied van een andere EU-lidstaat indien hij student is en over voldoende bestaansmiddelen en een passende ziektekostenverzekering beschikt. De EU-burger moet wel staan ingeschreven aan een particuliere dan wel openbare instelling die door de gastlidstaat is erkend of wordt gefinancierd. Tijdens zijn verblijf moet de studie, daaronder begrepen een beroepsopleiding, de hoofdbezigheid van de EU-burger zijn. 

Naar boven

Formaliteiten

De gastlidstaat kan studenten die langer dan drie maanden in de gastlidstaat verblijven verplichten om zich bij de bevoegde autoriteiten te laten inschrijven (artikel 8, lid 1, richtlijn 2004/38). Voor de afgifte van de verklaring van inschrijving mogen de lidstaten slechts verlangen dat de student een geldig paspoort of geldige ID-kaart overlegt, een bewijs dat hij staat ingeschreven bij een erkende instelling, een bewijs dat hij een ziektekostenverzekering heeft die alle kosten in de gastlidstaat dekt en een verklaring of daaraan gelijkwaardige bewijsmiddelen dat hij over voldoende bestaansmiddelen beschikt voor zichzelf en voor eventuele familieleden (artikel 8, lid 3, derde streepje, richtlijn 2004/38). Niet-naleving van de verplichting om zich als student te laten inschrijven kan worden bestraft met evenredige en niet-discriminerende sancties (artikel 8, lid 2, richtlijn 2004/38). 

Naar boven

Steun voor levensonderhoud

Een gastlidstaat is niet verplicht om - voordat de EU-burger het duurzame verblijfsrecht verwerft - steun voor levensonderhoud toe te kennen aan studenten. De steun voor levensonderhoud moet echter wel worden toegekend wanneer de studie wordt gevolgd door een EU-burger die werknemer of zelfstandige is in de gastlidstaat, alsmede de familieleden van een dergelijke EU-burger (artikel 24, lid 2, richtlijn 2004/38)

Naar boven

Familieleden van de EU-burger (sub d)

Inleiding

Artikel 7, lid 1, sub d van richtlijn 2004/38 bepaalt dat familieleden van een EU-burger het recht hebben om meer dan drie maanden te verblijven op het grondgebied van een andere EU-lidstaat. De voorwaarde voor dit afgeleide verblijfsrecht van familieleden van een EU-burger is dat de EU-burger als werknemer, zelfstandige, economisch niet-actieve EU-burger of student kan worden aangemerkt (in de zin van de hiervoor besproken bepalingen uit artikel 7, lid 1, sub a tot c, richtlijn 2004/38). Dit afgeleide verblijfsrecht strekt zich ook uit tot familieleden die niet de nationaliteit van een lidstaat hebben (artikel 7, lid 2, richtlijn 2004/38). 

Indien de EU-burger als student in de gastlidstaat verblijft kunnen alleen de echtgenoot, de geregistreerde partner en de kinderen die ten laste komen van die EU-burger aanspraak maken op een afgeleid verblijfsrecht (artikel 7, lid 4, richtlijn 2004/38). 

Naar boven

Behoud van het afgeleide verblijfsrecht in bijzondere omstandigheden 

In artikel 12 en artikel 13 van richtlijn 2004/38 zijn een aantal situaties opgenomen waaronder familieleden van een EU-burger - die anders het verblijfsrecht zouden verliezen omdat zij niet meer voldoen aan de voorwaarden van artikel 7, lid 1, onder d van richtlijn 2004/38 - het verblijfsrecht behouden in bijzondere omstandigheden. 

  • In geval van overlijden van de EU-burger of het vertrek van de EU-burger uit de gastlidstaat

Het overlijden van een EU-burger of het vertrek van de EU-burger uit de gastlidstaat is niet van invloed op het verblijfsrecht van familieleden die de nationaliteit van een EU-lidstaat hebben (artikel 12, lid 1, eerste alinea, richtlijn 2004/38). Tot het moment dat deze familieleden aanspraak kunnen maken op een duurzaam verblijfsrecht moeten zij wel voldoen aan de voorwaarden van artikel 7, lid 1, sub a tot d van richtlijn 2004/38. Dit houdt in dat het familielid werknemer of zelfstandige moet zijn, over voldoende bestaansmiddelen en een passende ziektekostenverzekering moet beschikken, als student kan worden aangemerkt of als familielid kan worden aangemerkt van een andere EU-burger die zijn vrij verkeer heeft uitgeoefend (artikel 12, lid 1, tweede alinea, richtlijn 2004/38).

Het overlijden van een EU-burger is niet van invloed op het verblijfsrecht van familieleden die niet de nationaliteit van een EU-lidstaat hebben (artikel 12, lid 2, eerste alinea, richtlijn 2004/38). Het familielid en de EU-burger moeten echter wel één jaar samen in de gastlidstaat hebben verbleven voor het overlijden van de EU-burger. Alvorens het duurzame verblijfsrecht te verkrijgen blijft het recht van verblijf van deze familieleden wel onderhevig aan bepaalde voorwaarden (zie artikel 12, lid 2, tweede alinea, richtlijn 2004/38).

Het overlijden van een EU-burger of het vertrek van de EU-burger uit de gastlidstaat leidt niet tot het verlies van het verblijfsrecht voor zijn kinderen en voor de ouder die daadwerkelijk de voogdij heeft voor de kinderen. Het maakt daarbij niet uit welke nationaliteit de ouder heeft. De kinderen moeten wel in het gastland verblijven en aldaar staan ingeschreven bij een onderwijsinstelling om een studie te volgen. Het kind en de ouder die de voogdij heeft behouden hun afgeleide verblijfsrecht totdat de studie van het kind is voltooid (artikel 12, lid 3, richtlijn 2004/38).

  • In geval van scheiding, ontbinding of nietigverklaring van het huwelijk of van beëindiging van het geregistreerd partnerschap

Een scheiding, ontbinding of nietigverklaring van het huwelijk of de beëindiging van het geregistreerd partnerschap zijn niet van invloed op het verblijfsrecht van familieleden die de nationaliteit van een EU-lidstaat hebben (artikel 13, lid 1, eerste alinea, richtlijn 2004/38). Tot het moment dat deze familieleden aanspraak kunnen maken op een duurzaam verblijfsrecht moeten zij wel voldoen aan de voorwaarden van artikel 7, lid 1, sub a tot d van richtlijn 2004/38. Dit houdt in dat het familielid werknemer of zelfstandige moet zijn, over voldoende bestaansmiddelen en een passende ziektekostenverzekering moet beschikken, als student kan worden aangemerkt of als familielid kan worden aangemerkt van een andere EU-burger die zijn vrij verkeer heeft uitgeoefend (artikel 13, lid 1, tweede alinea, richtlijn 2004/38)

Voor het verblijfsrecht van familieleden die niet de nationaliteit van een EU-lidstaat hebben geldt in de volgende vier situaties dat een scheiding, ontbinding of nietigverklaring van het huwelijk of beëindiging van het geregistreerd partnerschap niet van invloed is op hun verblijfsrecht (artikel 13, lid 2, richtlijn 2004/38):

1. Het huwelijk of geregistreerd partnerschap heeft ten minste drie jaar geduurd, waarvan één jaar in de gastlidstaat (artikel 13, lid 2, onder a, richtlijn 2004/38)

Bij de aanvang van de gerechtelijke procedure tot scheiding, ontbinding of nietigverklaring van het huwelijk of bij de beëindiging van het geregistreerd partnerschap heeft het huwelijk of geregistreerd partnerschap ten minste drie jaar geduurd, waarvan één jaar in de gastlidstaat.

Een 'echtgenoot' met de nationaliteit van een derde land blijft ook een 'echtgenoot' wanneer de echtgenoten gescheiden van elkaar leven in de gastlidstaat. Tot het moment dat de scheiding definitief is kan de echtgenoot met de nationaliteit van een derde land dus in de gastlidstaat verblijven (C-267/83, Diatta, punt 22, uitspraak gedaan in het kader van een voorloper van richtlijn 2004/38). 

Een EU-burger die echtgenoot van een derdelander is moet tot de datum van de aanvang van de gerechtelijke procedure tot scheiding in de gastlidstaat verblijven, opdat die derdelander het recht heeft op behoud van zijn verblijfsrecht op grond van artikel 13, lid 2, richtlijn 2004/38 (C-218/14, Singh, punt 66). Indien de EU-burger voor de aanvang van de gerechtelijke procedure is vertrokken, is het afgeleide verblijfsrecht van de echtgenoot reeds vervallen. Een later verzoek tot scheiding kan dit afgeleide verblijfsrecht niet doen herleven (C-218/14, Singh, punt 67). 

  • ECER-bericht: EU-Hof beperkt verblijfsrecht voor echtgenoten van Unieburgers (20 juli 2015)

2. Ouderlijk gezag over kinderen toegewezen aan echtgenoot/partner (artikel 13, lid 2, onder b, richtlijn 2004/38)

Het ouderlijk gezag over de kinderen van de EU-burger is bij overeenkomst tussen de echtgenoten/geregistreerde partners of bij een gerechtelijke beslissing toegewezen aan de echtgenoot of partner die niet de nationaliteit van een EU-lidstaat bezit. 

3. Bijzonder schrijnende situaties (artikel 13, lid 2, onder c, richtlijn 2004/38)

In bijzondere schrijnende situaties kan het afgeleide verblijfsrecht ook behouden blijven. Bijvoorbeeld wanneer een familielid tijdens het huwelijk of het geregistreerd partnerschap slachtoffer is geweest van huiselijk geweld. 

Een derdelander-familielid kan zich ook op deze grond beroepen wanneer diens echtgenoot niet in de gastlidstaat is verbleven tot de datum van de aanvang van de gerechtelijke procedure tot scheiding. De derdelander moet de echtscheidingsprocedure wel binnen een redelijke termijn na het vertrek van de echtgenoot inleiden (C-930/19, punt 43, zie de zaak C-115/15 waarin het EU-Hof tot een tegenovergesteld oordeel kwam). 

  • ECER-bericht - EU-Hof: slachtoffer van huiselijk geweld kan zijn verblijfsrecht behouden ook al heeft de echtgenoot de gaststaat verlaten voor de start van de echtscheidingsprocedure (2 september 2021)

4. Omgangsrecht voor echtgenoot/partner met minderjarig kind (artikel 13, lid 2, onder d, richtlijn 2004/38)

Het omgangsrecht met een minderjarig kind is bij overeenkomst tussen de echtgenoten/geregistreerd partners of bij gerechtelijke beslissing toegewezen aan de echtgenoot of partner die niet de nationaliteit van een EU-lidstaat bezit. De rechter moet wel hebben bepaald dat het omgangsrecht in de gastlidstaat moet worden uitgeoefend. 

Naar boven

Formaliteiten

De gastlidstaat moet een derdelander-familielid van een EU-burger die langer dan drie maanden in de gastlidstaat verblijft, een verblijfskaart verstrekken. Het familielid moet de verblijfskaart aanvragen. Het nalaten om een verblijfskaart aan te vragen kan worden bestraft met evenredige en niet-discriminerende evenredige sancties (artikel 9, richtlijn 2004/38).

In de artikelen 10 en 11 van richtlijn 2004/38 zijn voorschriften neergelegd voor de afgifte van een verblijfskaart aan een familielid van een EU-burger die niet de nationaliteit van een EU-lidstaat bezit en worden voorwaarden genoemd ten aanzien van de geldigheidsduur van die verblijfskaart. Binnen een termijn van uiterlijk zes maanden na de datum van indiening van een aanvraag voor een verblijfskaart moeten de autoriteiten van een EU-lidstaat de aanvraag behandelen, een besluit ter zake nemen en - als de aanvrager aan de voorwaarden voldoet - de verblijfskaart afgeven. Het besluit van de autoriteiten moet binnen de termijn van zes maanden ter kennis van de aanvrager worden gebracht. De termijn waarbinnen het besluit ter kennis van de aanvrager moet worden gebracht kan niet verschillen naargelang het besluit positief of negatief uitvalt (C-246/17, Diallo, punten 33-36, 38-39 en 41). 

Het kan voorkomen dat de bevoegde autoriteiten niet binnen de termijn van zes maanden een besluit nemen. In zo'n geval mag het nationale recht bepalen dat dit nalaten moet worden beschouwd als een weigeringsbesluit. Het nationale recht mag echter aan het stilzwijgen niet het gevolg verbinden dat het stilzwijgen moet worden beschouwd als een goedkeuringsbesluit (C-246/17, Diallo, punten 50-51). 

Indien een eerder besluit van de bevoegde autoriteiten over de toekenning van een verblijfskaart nietig is verklaard door de rechter, moeten de autoriteiten een nieuw besluit nemen. De autoriteiten krijgen niet automatisch een nieuwe termijn van zes maanden om een besluit te nemen, maar het besluit moet binnen een redelijke termijn worden genomen. Deze redelijke termijn mag geenszins langer zijn dan zes maanden (C-246/17, Diallo, punt 69). 

De afgifte van een verblijfskaart verschaft aan de derdelander geen rechten, maar moet louter worden gezien als een handeling waarbij de lidstaat vaststelt wat de individuele situatie van een dergelijke derdelander is in het licht van het EU-recht (C-325/09, Dias, punt 48). Deze declaratoire aard van de verblijfskaarten brengt mee dat deze kaarten niet meer doen dat een reeds bestaand recht van de betrokkene bevestigen (C-127/08, Metock, punt 52). 

De geldigheidsduur van de verblijfskaart wordt niet beinvloed door tijdelijke afwezigheden van maximaal zes maanden per jaar, door afwezigheden van langere duur door vervulling van militaire verplichtingen, door een afwezigheid van ten hoogste twaalf maanden om belangrijke redenen (zwangerschap, bevalling, ernstige ziekte, studie, beroepsopleiding) of door uitzending om werkzaamheden te verrichten in een andere EU-lidstaat of een derde land (artikel 11, lid 2, richtlijn 2004/38). 

Naar boven