Burgerschapsrechten

Artikel 20 lid 2 EU-Werkingsverdrag somt de belangrijkste rechten van de burgers van de Unie op. Deze rechten worden verder uitgewerkt in de artikelen 21 tot en met 24 EU-Werkingsverdrag en zijn eveneens opgenomen in een aparte titel van het EU-Handvest. In dit dossier wordt nader ingegaan op deze burgerschapsrechten.

Op deze pagina:

Recht van vrij verkeer en verblijf

Op grond van artikel 21 EU-Werkingsverdrag hebben EU-burgers het recht om vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven. Het recht van vrij verkeer en verblijf is één van de belangrijkste, aan het burgerschap van de Unie, verbonden rechten.

Richtlijn 2004/38

Het recht van vrij verkeer en verblijf wordt hoofdzakelijk geregeld bij Richtlijn 2004/38 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden. Deze richtlijn, die ook wel bekend staat als de Burgerschapsrichtlijn, codificeert in belangrijke mate de jurisprudentie van het Hof en is onmisbaar voor een goed begrip van de rechten en plichten van Unieburgers in andere lidstaten. De richtlijn heeft betrekking op iedere burger van de Unie die zich begeeft naar of verblijft in een andere lidstaat dan die waarvan hij de nationaliteit bezit, en zijn familieleden die hem begeleiden of zich bij hem voegen.

De richtlijn regelt de voorwaarden voor de uitoefening van het recht op vrij verkeer en verblijf door EU-burgers en hun familieleden, het duurzame verblijfsrecht en de beperkingen van deze rechten om redenen van openbare orde, openbare veiligheid en de volksgezondheid.

Voor de toepassing van Richtlijn 2004/38/EG wordt onder „familieleden” verstaan:

  • de echtgenoot;
  • de geregistreerde partner, voor zover de wetgeving van het gastland geregistreerd partnerschap gelijk stelt met het huwelijk;
  • de rechtstreekse bloedverwanten in neergaande lijn, alsmede die van de echtgenoot of geregistreerde partner als hiervoor bedoeld, die jonger dan 21 jaar zijn of die afhankelijk zijn van de Unieburger en/of de echtgenoot/partner
  • de rechtstreekse bloedverwanten in opgaande lijn, alsmede die van de echtgenoot of geregistreerde partner, die afhankelijk zijn van de Unieburger en/of de echtgenoot/partner

De richtlijn maakt een onderscheid tussen drie soorten verblijfsrechten: verblijf van maximaal drie maanden; verblijf van meer dan drie maanden en duurzaam verblijfsrecht (meer dan vijf jaar). Voor wat betreft de voorwaarden die verbonden zijn aan de verblijfsrechten maakt de richtlijn soms een onderscheid tussen economisch actieve personen (werknemers, zelfstandigen) en personen die niet economisch actief zijn.

Zie voor meer informatie de (door de Europese Commissie opgestelde) leidraad Vrij verkeer en verblijf in Europa (2013).

Afgeleide verblijfsrechten voor familieleden

Richtlijn 2004/38 kent uitsluitend verblijfsrechten toe aan EU-burgers en afgeleide verblijfsrechten aan hun familieleden, wanneer een EU-burger zijn recht van vrij verkeer uitoefent door zich te vestigen in een andere lidstaat dan die waarvan hij de nationaliteit heeft. Het kan dan ook een eigen onderdaan betreffen die in een andere EU lidstaat gaat wonen en daarna terugkomt. Aan de richtlijn kan dus voor derdelanders die familieleden zijn van een burger van de Unie, geen afgeleid verblijfsrecht worden ontleend in de lidstaat waarvan die burger de nationaliteit bezit, behalve als er sprake is van vrije verkeer. Een belangrijk arrest op dat terrein is de zaak  C-456/12, arrest B. en O (zie ook het ECER-bericht hierover).

Het Hof heeft echter bepaald dat afgeleide verblijfsrechten voor familieleden ook kunnen ontstaan op grond van analoge toepassing van richtlijn 2004/38. Uit de arresten C-370/90, Singh en C-291/05, Eind volgt dat de echtgenoot van een EU-burger die zijn recht van vrij verkeer heeft uitgeoefend, wanneer laatstgenoemde naar zijn land van herkomst terugkeert, ten minste dezelfde rechten van toegang en verblijf moet genieten als die welke het Unierecht hem zou toekennen indien de betrokken burger van de Unie zou besluiten om naar een andere lidstaat te gaan en daar te verblijven.

In geval van toepassing van Richtlijn 2004/38 of analoge toepassing is er sprake (geweest) van grensoverschrijdend verkeer. Volgens een recente lijn van rechtspraak van het EU-Hof kunnen, in uitzonderlijke gevallen, ook afgeleide verblijfsrechten aan de primaire verdragsbepalingen (artikel 20 en 21 EU-Werkingsverdrag) worden ontleend, zonder dat er enige uitoefening van de rechten van vrij verkeer naar, of verblijf in een andere (gast)lidstaat is geweest. Dit is het geval wanneer een nationale maatregel een EU-burger (de eigen onderdanen van een lidstaat daaronder begrepen) het effectieve genot van de belangrijkste aan de status van burger van de Unie verbonden rechten zou ontzeggen. Zie voor deze lijn van rechtspraak van het EU-Hof: de arresten C-34/09, Ruiz Zambrano, C-434/09, McCarthy, C-40/11, Iida, C-256/11, Dereci, C-356/11, O, S & L, C-86/12, Alokpa, C-87/12, Ymeraga, C-456/12, O, C-457/12, S, C-165/14, Rendon Marin, C-304/14, CS, C-115/15, NA, C-133/15, Chavez-Vilchez en C-82/16, K.A.

Actief en Passief kiesrecht

Op basis van artikel 22 EU-Werkingsverdrag bezitten EU-burgers het actief en passief kiesrecht bij gemeenteraadsverkiezingen en de verkiezingen voor het Europees Parlement in de lidstaat waar zij verblijven, onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die staat. Deze rechten zijn tevens opgenomen in de artikelen 39 en 40 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie.

Het recht om te stemmen en zich verkiesbaar te stellen voor de gemeenteraadsverkiezingen is uitgewerkt in Richtlijn 94/80/EG van de Raad van 19 december 1994 tot vaststelling van de wijze van uitoefening van het actieve en passieve kiesrecht bij gemeenteraadsverkiezingen ten behoeve van de burgers van de Unie die verblijven in een Lid-Staat waarvan zij de nationaliteit niet bezitten.

De wijze waarop burgers van de Unie die in een lidstaat verblijven waarvan zij geen onderdaan zijn, hun actief en passief kiesrecht bij de verkiezingen voor het Europees Parlement kunnen uitoefenen, is nader geregeld in Richtlijn 93/109/EG van de Raad van 6 december 1993 tot vaststelling van de wijze van uitoefening van het actief en passief kiesrecht bij de verkiezingen voor het Europees Parlement ten behoeve van de burgers van de Unie die verblijven in een Lid-Staat waarvan zij geen onderdaan zijn.

In de zaak  C-650/13, Delvigne (zie ook het ECER-bericht hierover) oordeelde het EU-Hof dat het verlies van het kiesrecht om te stemmen voor het Europees Parlement vanwege een strafrechtelijke veroordeling niet in strijd is met artikel 39, lid 2 van het EU Handvest. Het EU-Hof overwoog dat hoewel deze Franse strafrechtelijke bepaling in principe een inbreuk maakt op het kiesrecht van EU burgers, dat deze inbreuk, in die specifieke omstandigheden, gerechtvaardigd was.

Relevante documenten:

Consulaire en diplomatieke bescherming

Op grond van artikel 23 EU-Werkingsverdrag hebben EU-burgers, die reizen naar of wonen in een derde land waar de lidstaat waarvan zij de nationaliteit bezitten geen ambassade of consulaat heeft, het recht op consulaire bescherming door de consulaire instanties van elke andere lidstaat. Die lidstaat moet deze niet-vertegenwoordigde EU-burgers bijstaan onder dezelfde voorwaarden als eigen onderdanen.

Het tweede lid van artikel 23 EU-Werkingsverdrag voorziet in de mogelijkheid om richtlijnen aan te nemen tot vaststelling van coördinatiemaatregelen ter vergemakkelijking van consulaire bescherming voor niet-vertegenwoordigde EU-burgers. Dit recht is nader uitgewerkt in richtlijn 2015/637 van de Raad (zie ook BNC fiche). Deze richtlijn vervangt  Besluit 95/553.

De Commissie heeft een speciale website over consulaire bescherming opgezet, waar EU-burgers nuttige informatie kunnen vinden, zoals bijvoorbeeld de contactgegevens van de EU-landen consulaten/ambassades in landen buiten de EU.

Relevante documenten:

Gerelateerde ECER-berichten:

Recht van petitie

Op basis van artikel 24 lid 2 en artikel 227 EU-Werkingsverdrag hebben EU-burgers het recht om, individueel of samen met andere burgers, een verzoekschrift in te dienen bij het Europees Parlement (het petitierecht). De petitie dient betrekking te hebben op een onderwerp dat tot de werkterreinen van de EU behoort en dat de burger rechtstreeks aangaat.

Zie voor meer informatie de website van het Europees Parlement

Europese ombudsman

Artikel 24 lid 3 EU-Werkingsverdrag bepaalt dat iedere EU-burger zich kan wenden tot de Europese Ombudsman. De procedure is vastgelegd in artikel 228 EU-Werkingsverdrag. De Europese Ombudsman wordt voor een periode van vijf jaar gekozen door het Europees Parlement en onderzoekt klachten over wanbeheer in de instellingen en organen van de Europese Unie.

Zie voor meer informatie de ECER-pagina over de Europese Ombudsman.

Contact opnemen met de EU-instellingen

Artikel 24 lid 4 EU-Werkingsverdrag geeft EU-burgers het recht om zich in een van de talen van lidstaten te richten tot de instellingen en de organen van de Unie en in die taal antwoord te krijgen. Burgers kunnen contact opnemen met een van de EU-instellingen via de website van Europe Direct.