Op deze pagina:
In artikel 3 van het EU-Verdrag zijn de doelstellingen van de Europese Unie opgenomen. Eén van die doelstellingen is de eerbiediging van de rijke verscheidenheid van (cultuur en) taal (artikel 3, lid 3, vierde alinea). Taalverscheidenheid (of taaldiversiteit) wordt ook gezien als één van de grondbeginselen van de EU. Artikel 22 van het EU-Handvest bepaalt dat de EU de verscheidenheid van taal moet eerbiedigen. Daarnaast verbiedt artikel 21 van het EU-Handvest iedere discriminatie op grond van taal. Verder volgt uit artikel 41, lid 4, van het EU-Handvest en artikel 24, vierde alinea, van het EU-Werkingsverdrag dat een ieder zich in één van de officiële talen van de EU tot de EU-instellingen moet kunnen wenden, en ook in die taal antwoord moet krijgen.
Op deze ECER-pagina wordt ingegaan op taalverscheidenheid in de EU. In de eerste plaats wordt verduidelijkt wat wordt verstaan onder een officiële taal van de EU. Vervolgens wordt aandacht besteed aan de rol die het onderwijs binnen de EU speelt bij de eerbiediging van de talen van de EU-lidstaten en aan de rol van taal in het kader van de verplichting voor de EU om de nationale identiteit van de lidstaten te eerbiedigen. Daarna wordt een overzicht gegeven van de rechtspraak van het EU-Hof over het vrij verkeer en de rol van taal daarbij. Ten slotte wordt ingegaan op de werktalen van de EU en semi-officiële talen.
Naar boven
De officiële talen van de EU zijn het Bulgaars, het Deens, het Duits, het Engels, het Ests, het Fins, het Frans, het Grieks, het Hongaars, het Iers, het Italiaans, het Kroatisch, het Lets, het Litouws, het Maltees, het Nederlands, het Pools, het Portugees, het Roemeens, het Sloveens, het Slowaaks, het Spaans, het Tsjechisch en het Zweeds. Dit is onder andere vastgelegd in artikel 1 van verordening nr. 1 tot regeling van het taalgebruik in de Europese Economische Gemeenschap (hierna: de verordening tot regeling van het taalgebruik). Het opnemen van een nieuwe officiële taal in de verordening tot regeling van het taalgebruik, kan op grond van artikel 342 van het EU-Werkingsverdrag door een unanieme beslissing (eenparigheid van stemmen) van de Raad. In de verordening is eveneens vastgelegd in welke talen de EU-wetgeving wordt opgesteld en gepubliceerd, en welke talen worden gebruikt voor correspondentie tussen de EU-instellingen en burgers of tussen de EU-instellingen en de EU-landen.
Het Engels blijft ondanks de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie (Brexit) een officiële taal van de EU. Zolang het Engels in de verordening tot regeling van het taalgebruik vermeld blijft staan als officiële taal, zal de kwalificatie van het Engels als officiële taal van de EU niet veranderen. De EU-lidstaten Ierland en Malta zijn beiden Engelstalige landen en hebben geen belang bij het schrappen van de Engelse taal als officiële taal.
Bij de toetreding van Ierland tot de Europese Gemeenschappen - de voorloper van de EU - in 1973 is de Ierse taal (Gaelic) niet opgenomen in de lijst van officiële talen in de verordening tot regeling van het taalgebruik. In 2005 werd de Ierse taal (Gaelic) erkend als officiële taal van de EU (zie verordening 920/2005). Voor de EU-instellingen gold toen geen verplichting om alle documenten van de EU te vertalen in het Iers. Verordening 920/2005 voorzag namelijk in een tijdelijke afwijking (zie artikel 2 van de verordening). In 2015 verzocht Ierland de Raad om deze afwijking geleidelijk af te schaffen. Dit proces werd voltooid op 1 januari 2022. Sinds 1 januari 2022 wordt de verordening tot regeling van het taalgebruik zonder afwijking toegepast. Het Iers is daarmee een volwaardige officiële taal en werktaal van de EU, op hetzelfde niveau als de andere officiële talen van de EU.
Artikel 165, lid 2, van het EU-Werkingsverdrag bepaalt dat het optreden van de EU erop gericht is de Europese dimensie in het onderwijs tot ontwikkeling te brengen, met name door onderricht in en verspreiding van de talen van de lidstaten. De EU heeft een ondersteunende bevoegdheid op onderwijsgebied (artikel 6, onder e, EU-Werkingsverdrag), hetgeen betekent dat de EU bevoegd is om het optreden van de lidstaten op onderwijsgebied te ondersteunen, te coördineren of aan te vullen. De EU kan de bevoegdheid van de lidstaten op onderwijsgebied niet overnemen. Het programma Erasmus+ is een bekend voorbeeld van de uitoefening door de EU van haar ondersteunende bevoegdheid op onderwijsgebied.
Op grond van artikel 4, lid 2, van het EU-Verdrag eerbiedigt de EU de nationale identiteit van de lidstaten, zoals die besloten ligt in hun politieke en constitutionele basisstructuren (zie voor meer informatie ook het ECER-dossier over de waarden van de EU). De verplichting voor de EU om de nationale identiteit van de lidstaten te eerbiedigen brengt met zich mee dat de verschillen die elk van de lidstaten kenmerken, moeten worden geëerbiedigd. Onder de 'nationale identiteit' valt ook de bescherming van de officiële taal of talen van de lidstaten (C-202/11, punt 26).
De lidstaten kunnen zich onder bepaalde omstandigheden beroepen op hun nationale identiteit om een afwijking van het EU-recht te kunnen rechtvaardigen. Artikel 4, lid 2, van het EU-Verdrag kan echter alleen door de lidstaten worden ingeroepen met betrekking tot fundamentele of kernelementen van de nationale identiteit, waaronder de taal. Het verleent de lidstaten niet het absolute recht om af te wijken van het EU-recht. Tegelijkertijd moet de EU-wetgever bij zijn optreden en het vaststellen van wetgeving te allen tijde rekening houden met de nationale identiteit van de lidstaten.
In de rechtspraak van het EU-Hof kan 'taal' een rol spelen. Op het terrein van het vrij verkeer van werknemers en de vrijheid van vestiging zijn bijvoorbeeld uitspraken van het EU-Hof over taaleisen. Hieronder vindt u een aantal voorbeelden uit die rechtspraak.
In de zaak Groener (C-379/87) kreeg een Nederlandse lerares geen vaste aanstelling bij een school in Ierland, omdat zij niet beschikte over een certificaat van bekwaamheid in de Ierse taal. Groener vocht de weigering om haar aan te stellen aan bij de Ierse rechter, die vervolgens prejudiciële vragen stelde aan het EU-Hof. Het EU-Hof oordeelde dat het EEG-Verdrag (nu: de EU-Verdragen) zich er niet tegen verzet dat een lidstaat een beleid voert tot bescherming en stimulering van een taal, die zowel de nationale taal als de eerste officiële taal is. De uitvoering van dat beleid mag echter niet leiden tot aantasting van een fundamentele vrijheid als het vrij verkeer van werknemers (artikel 45 van het EU-Werkingsverdrag). De eisen die bij de uitvoeringsmaatregelen van een dergelijk beleid worden gesteld, mogen in geen geval onevenredig zijn aan het nagestreefde doel, en de wijze waarop zij worden toegepast, mag niet leiden tot discriminatie van de onderdanen van andere EU-lidstaten. Het non-discriminatiebeginsel verzet zich bijvoorbeeld tegen een voorschrift op grond waarvan de betrokken taalkennis op het nationale grondgebied moet zijn verworven.
In de zaak Angonese (C-281/98) stond, net als in de zaak Groener, het vrij verkeer van werknemers centraal. In die zaak had een Italiaanse particuliere bankinstelling vacatures gepubliceerd in een lokale krant in Bolzano (Italië). Eén van de voorwaarden om tot het vergelijkend onderzoek te worden toegelaten was het bezit van een tweetaligheidsattest voor het Duits en het Italiaans (hierna: het patentino). De heer Angonese gaf zich op voor het vergelijkend onderzoek, maar beschikte niet over het patentino. Wel legde de heer Angonese attesten over met betrekking tot zijn taalopleidingen. Het EU-Hof oordeelde dat het vereiste om het patentino te overleggen in strijd was met het vrij verkeer van werknemers, aangezien die maatregel niet in overeenstemming was met het evenredigheidsbeginsel. Volgens het EU-Hof kan het legitiem zijn om van een sollicitant een bepaald niveau van kennis te eisen en kan het bezit van een diploma zoals een getuigschrift een criterium voor de beoordeling van die kennis vormen. Het feit dat het onmogelijk is om met andere middelen, met name door middel van in andere lidstaten behaalde gelijkwaardige kwalificaties, het bewijs van de vereiste talenkennis te leveren, moet volgens het EU-Hof worden beschouwd als onevenredig aan het beoogde doel. Hoewel het EU-Hof het vereiste van talenkennis heeft aanvaard, vereist het evenredigheidsbeginsel dus wel dat de talenkennis op een andere manier (dan het patentino) kan worden aangetoond.
In de zaak Las (C-202/11) stond een decreet van de Vlaamse Gemeenschap centraal. Volgens dat decreet is, zodra een werkgever zijn exploitatiezetel in het Nederlandse taalgebied heeft, het gebruik van het Nederlands verplicht in alle 'sociale betrekkingen' in ruime zin (o.a. arbeidsovereenkomsten). Arbeidsovereenkomsten met een grensoverschrijdend karakter mochten uitsluitend in de officiële taal van de Vlaamse Gemeenschap (Nederlands) worden opgesteld. Een dergelijke verplichting is volgens het EU-Hof in strijd met het vrij verkeer van werknemers. Een dergelijke regeling kan volgens het EU-Hof niet worden geacht evenredig te zijn, aangezien zij verder gaat dan strikt noodzakelijk is voor het bereiken van legitieme doelstellingen. Het gaat onder meer om de doelstelling om het gebruik van één van de officiele talen van de betrokken lidstaat te bevorderen en te stimuleren.
In de zaak Haim (C-424/97) beschikte een Italiaanse onderdaan over een diploma tandheelkunde dat in België was erkend als gelijkwaardig aan het Belgische diploma. De Italiaanse onderdaan wilde in Duitsland binnen een bepaald socialezekerheidsstelsel werken, maar de Duitse regels voor toelating tot een dergelijk stelsel vereisten dat een buitenlander over voldoende kennis van de landstaal moest beschikken voordat hij als beoefenaar der tandheelkunde in het kader van een socialezekerheidsstelsel kon worden toegelaten. Het EU-Hof oordeelde dat de betrouwbaarheid van de communicatie van de tandarts met zijn patiënt een dwingende reden van algemeen belang kan vormen die rechtvaardigt dat de toelating als ziekenfondstandarts aan taalvereisten wordt onderworpen. De dialoog met de patiënten vereist een passende kennis van de taal van die staat. Het EU-Hof benadrukte opnieuw dat die taalvereisten niet verder mogen gaan dan voor het bereiken van dat doel noodzakelijk is.
De EU-instellingen mogen zelf bepalen welke talenregelingen zij intern hanteren. Zo stelt het EU-Hof, op grond van artikel 7 van de verordening tot regeling van het taalgebruik, het taalgebruik bij de procesvoering vast in het reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie. In de praktijk brengt dit met zich mee dat bij het EU-Hof Frans de reguliere werktaal is.
Ook bepaalt artikel 6 van de verordening tot regeling van het taalgebruik dat de EU-instellingen de wijze van toepassing van de regeling zelf in hun reglement van orde kunnen vaststellen. Zo zijn het Engels, het Frans en het Duits de werktalen van de Europese Commissie.
Sommige 'kleine' talen worden erkend als 'semi-officiële' of 'co-officiële talen' (zie de Conclusies van de Raad van 13 juni 2005 betreffende het officiële gebruik van nog andere talen in EU-instellingen en organen). Een taal is een semi-officiële taal indien de status door de grondwet van een lidstaat op zijn gehele grondgebied of een gedeelte daarvan wordt erkend of waarvan het gebruik als nationale taal bij wet is toegestaan. Het Catalaans (Spanje), het Baskisch (Spanje), het Galisch (Spanje) en het Welsh (Verenigd Koninkrijk) hebben de status van een semi-officiële taal gekregen. Dankzij die erkenning mogen sprekers van deze vier talen, in hun eigen taal corresponderen met de EU-instellingen. Ook mogen semi-officiële talen bij ontmoetingen van ministers worden gebruikt. Vertalingen van EU-documenten van en naar deze talen worden niet bekostigd door de EU.
23-10-2025
De rectificatieverordening die een fout in de Roemeense taalversie van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening (AGVV) corrigeert, heeft terugwerkende kracht. De betrokken fout moet aldus worden geacht te zijn ...
28-05-2025
26-02-2024
De kamerbrief en bijlagen bevatten onder meer een kabinetsreactie op de gevolgen van de evaluatie van het Europees Handvest voor regionale talen en minderheidstalen voor Nederlandse (minderheids)talen, zoals het Fries en ...